OENSDAGSAVONDS, den achtsten Ab, als de groote treurdag, de negende Ab, inging, was Joop naar Sjoel gegaan. Als velen, niet zeer overtuigden, ging 't hem dikwijls zoo: in slechten tijd werd hij devoter, zociht hij waarlijk hulp bij zijn god, door ter kerk te gaan vooral, en zijn gedachten, innig soms, te keeren naar gebed. Het was, zooals, naar de boeken Mozes, Israël deed: wen zij met goud en zilver zwaar behangen gingen, gaven zij ervan voor afgodsbeelden, en omangstte hen de kuil van wee en ontbering, dan klaagden hun stemmen hoogöp in de kinderteedere verootmoediging.
Voor den droefste der vastendagen was alle siersel uit het Bedehuis weggenomen: tapijten, Bièhmakleed-jes, voorhang der Arke, 't niet hoognoódige licht. Hard-naakt, vreugdeloos en verarmd, rouwde de Synagoge den gedenkdag van Jodendom's ondergang. De Pedel alleen .zat op 't .bankje langs 't hek van de Biemah, op de trap vóór de Heilige Arke zat in zijn zwarten mantel de Rabbijn, met naast zich een enkele kaars, die heur stille tweening sidderde binnen de roslbruine lichtgrot langs den onderkant der Arkedeur, langs de trappen, en 't gebogen lichaam van den man. Zacht mompelneuriënd, als voor zich Iheen, zong hij den grooten somberen Jeremia-klaagzang door de halflichte Synagoge, nu en dan, bij hartstochtelijker smart-stijging van een vers, zijn stem tot ingehouden-galmend jammeren breedend, of wringend zijn geluid tot de uitsohokking van nauw meer verkeeribaar wee. De