133
nou nerges om, maar dat is zal 'k sterve waar, ik dans altijd wat graag met 'm."
Vader, die bij Sam's volhouden dadelijk angstig begrepen had, dat-ie toe moest geven, wijl-ie in naam geraadpleegd weid, maar toch aan de jonge krachten de dingen over moest laten, zat zich op te dringen aan de noodzaak der feiten: of-ie al praatte en opspeelde, of weigerde, och, als Sam doorzette, zou-ie niet meemoeten? hij kon de zaak niet voeren, hij was niks meer. ... Langzaam liet-ie zich sussen, door Moos en Naatje, door de eigen hoop, dat Joop zich er wel doorheen zou slaan, eindelijk door den troost, dat, als 't ook misliep, hij er toch niets tegen doen kon. En zoo gaf hij ziCh over aan de schikking van den niet weg te dringen dingenloop; hij zocht de aannemer lijkste wijze van onderwerping, bewust van de vijandschap, die zich, in het overvallen huis zijner eigen gevoelens, overmachtig ging neerzetten. Misschien had-ie werkelijk wel wat overdreven, pröbeerde hij zich te overtuigen, en waar was ’t dat ze zoo alle drie naar den kelder gingen. Moeder, onmachtig tot eigen oordeel, had zijn gezicht beloerd onder 't overtuigend geredeneer der |«nderen, en tot schuwen glimlach plooiden zich haar trekken, toen ze hem, onder Naatje's verheugenis, vetlegen-vriendelijk — en uit een natuurlijken verregaartden tegenzin om de verbitteraar te zijn — zelfs aarzelend-vroolijk zag worden.
„Nou," vroeg Moos, „mut ’k goan of mut 'k niet goan.... Sam vindt ’t vanzelf goed, niet woar zwoager?"
„Nou," hoofdschudde Vader, met een blik naar zijn vrouw, „as 't niet anders kan, en 't is zoo de eenigste goeie weg, ja, dan mut 't natuuurlijk wel gebeuren; en dan mag 'k maar lieden, dat 't jullie goed mag goan en dat ’t ons allemoale maar goed mag goan.”
„En an ons allemaal!" 'zei Naatje hem begrijpend.
,.Nou," zei Moeder Vader na, toen ze zag, dat hij