126
veule meer over te proaten hebben. Is <let woar of niet?"
Vader zag Moos aan, en Moeder zweeg, zat, met haar zakdoek haar wangenvel opduwend, Moos te volgen, loenzend langs den mageren neus; van aan-dachtsinspanning zwollen paarse aderen op haar smal-bleeke voorhoofd. Sam, verlegen, zenuwachtig, trok, onder de hard-rosse roestige ruigheid van zijn snor-en hoofdharen, met te veel en te hevige rukken z'n versche sigaar aan en beloerde het brandende puntje, zonder op te kijken of eenigen uitweg te weten tot antwoorden. Hij besloot zich te houden alsof hij uit beleefdheid Moos liet uitspreken, daar hij toch de pijnende benardheid onderging van zich te voelen behandelen in familiekring en onder het triomphantelijk geglimlach van Naatje, van wier gezindheid hij lang nolg niet zeker was. Woar wol Moos toch noar toe, dacht hij, dat-ie er zoo op had estoan, dat tenminste Vader mee most komen? Onder het nadenken begon-ie vrijer aan z'n sigaar te trekken en allengs wat ruimer luisterhouding aan te nemen.
„En wanneer wi'j dan noa Amsterdam goan?" vroeg Vader, „a£-ie 't dan willen opknappen, mud iè maar eerst goan, zo'k denken."
„Det kump allemoale wel goed,” zei Moos, „maar nou mot ik nog even over wat anders proaten."
„En det is?" vroeg Vader speelsch-zakelijk.
Sam, die bleef leunen, zag boven z'n vuist uit naar 'm op.
„Det is," begon Moos in een van middag glijdenden zakentoon, „det is. . .. kiek jullies ies even hier. .. . jullie snappen toch zeker wel, as Moos die paar centen met det meissien mee kreg, dat doar dan wat mee te doen is. ..."
„Det spreekt van zelf," bleef Vader alleen met scherpen iblik en onder een verborgen en vriendelijke strijdvaardigheid antwoorden.