122
meening te zeggen; op mien spugen ze, de's umdat ’k mien de kolde koorse make."
„Maak ie oe niét de kolde koorse," sarde Sam, „vroag wie ’t oe bestelt, doar vreet ie toch ook van mee? We zullen oe dame van gezelschap maken en óns de kolde koorse maken voor óe. . . . Goa'j mee vader? ja of nee, ander goa 'k alleenig; det gedonder altied! neem de eele femilie mee a'j wat rechtschapens te beproaten hebben; mevrouw wil aar meening zeggen, ogh! heb-ie doar óók al 'n meening over? Kak op oe meening. As ik maar mien meening zegge; wat 'n bru taligheid.”
„Verrek!” eindigde Jette spijtig huilend.
„Nou aju, Meijer,” riep Sam, „pas op, let op de winkel eur, en breng doar even die worst weg, anders stuurt det kreng ze oe weerumme!"
Met hun drieën gingen ze naar de overzij.
Moos had tegen de pittige zomerwarmte de gordijnen voor 't winkelraam neergelaten; schoon er weinig vleesch in den winkel was. Aan een glinsterend-ge-schuurden haak boven 't hakblok, voor 't raam van de kamer, hing, week-blank, met plekken van blauwig grijs en warmrozig gevlek, een enkel kalf, breed uitgerekt met doorhaakte pooten, uit te bloeden op een dweil. Achter de toonbank, voor de koperen roe, waaraan bruinrood-doorspikkelde worsten rijden tegen den witten muur, restten een paar aangesneden koebouten; een drooge lap geel-wit vet, flardig en dun, een stel bruin glimmende nieren, als groote weeke kiezelsteenen, lagen, naast afgewogen geribd-roode biefstukjes, kliekjes, melig uitgebraden vet, en een tong, vadzig uit als 'n wijsneuzig lang schoenengezicht, neergekwakt op 't gebroken marmerblad van de uitstalkast. Door den winkel, waar Sam haastig rondkeek, 't kalfs-vleesdh keurde en de bestellingen voor 't raam langs gleed, de bouten tegen den muur krengig vond uitzien, stapten ze, door Naatje opgewacht, naar binnen.