120
Maar Moos, die niet alles onberoerd kon laten, profeteerde met gewichtig-geladen geluid:
,,'t Mooiste kedoogien kump nog, oome les,” en hij •drukte met onderscheidende stevigheid Sam de hand. Naatje, nu ook groetend, lachte mee:
„Wacht maar is, jullie zalle is zien: we binne lang niet voor niks hier geweest. . . . van 'n simge komt. .. . jullie wete wel. ..."
„Van 'n gassene kump 'n gassene,” lachte Meijer, „maar hier is toch geen gassene ewest?"
„Van ’n verjoardag kan óók ’n gassene komen,” plaagde hem Moos.
„Loop noa de verdommenis!” lolde Meijer, die Sam’s kleuren niet merkte, daar die zich had ongekeerd en bij de dientafel te spelen stond.
„Nou ja," schalkte Naatje, „ga jullie je gang maar, ik zeg niet wat ’k niet kwijt wil weze, heb maar geduld hoor, allemaal."
Jette liet hen uit, bang-nieuwsgierig wat er gebeuren ging. Zij dacht aan zich zelf. ... misschièn, mis-schièn. . . .God, je kon ’t niet weten! o god! ja?. .. . Tot ver over de straat zong ze hen lieflachend, met handgroetjes na: „Dag, daag!” —
Dan stond ze even stil, zonder 't ommezijn der anderen nu nog even peinzend op hoop: „Zouen ze ’n gosen voor 'r hebben?” Wie weet.... as 't is waar was! god, god! hieruit!.... hier uit! een eigen huis! met 'n man. . . .!”
Aan de overzij had de bakkersvrouw haar uitgelaten groeten gezien en liep haastig naar binnen. om 't haar meid te vertellen: god, god, die waren weer goed samen! wie had dat kunnen denken!
Zenuwachtig-vreemd bewegend ging Jette naar binnen, waar ze de smartelijk-wondende ergernis trof, van niets gewaar te worden.