119
stevig-rechtend lijf boog zijn kale onbeduidende hoofd omlaag, starend naar de verbeeldingsdingen, tot zijn lippen vleezig-dom vooruittuiten als van Jette en Meijertje. Hij zag niet, hoe de Rebbe hem de hand toestak en schrok op, toen de anderen hem riepen. Naatje en Moos zagen elkaar aan, lachten knipoogend. Kan glimlachte groot-goelijkjes, gaf hem de hand tot groet: ,,'n Beetje te droome, hè,” vriendelijkte hij neerbuigend, ,,ja jonge, dat duurt nog een heele poos voor jij zoover bent; eerst maar eens de vrouw, dat komt nóu aan de beurt hè? jazèker!. . . . nou, verder veel Simges hoor, Beem, adieu!"
„Dan bij u toch óók gauw,” glimlachte Sam haastig, nog blij dat-ie zooiets gevonden had. Meijer had dadelijk een gijntje er ook op: „Hij wil oè eerst de pille loaten slikken, meneer Kan," zei 'hij, „hij denkt, ie bin toch de veurganger, doen-ie 't mien maar eerst ies veur!"
Kan schudde schertsend-afwerend 't hoofd: „Wat-ie denkt, dat weet u niet,” zei-ie en naar de anderen groetend, ging-ie met Gomperts, Wolf en Van Lier ook heen.
„Gaat u ook mee?" vroeg Moos naar De Beer en z'n vrouw, die alleen nog gebleven waren; sinds Moos met z'n trouwen geld had gekregen, sprak De Beer nu en dan wel met hem over handel. De eerste en laatste gasten nu, op den maaltijd na den feestdag naakt en ontgeurd achter zich latend, gingen zij heen. Tante Nette, handjesgevend, zag van Moos naar Sam en van hem naar Naatje, die zich té kleeden stond, hunkerend naar de oorzaak van hun ongewone plotselinge intimiteit straks.
„Ziezoo jongens,” zuchtte ouwe Beem glimlachend, toen de De Beers en Rozette hem groetten, „det hebbe we alweer ehad,” en zijn vrouw zei het hem na, blij, dat de drukte om haar was weggeroesd.