117
och, wat weet jullie doar van; wat weet-iè d'r van; proat mien d'r niet over. . . . "
„’t Giet oe deur de knieën héene,” verdedigde Polakje, „det kan ik oe dan wel vertellen, ’t giet oe deur de heele beenen deur."
„Proat mien d'r niet van!” snauwde Hartog, „hol oe stille, hol oe stille!”
Grijnslachend stond-ie op, groette haastig rond en schoof, zonder den Rebbe te groeten, achter hem langs de deur uit, onzeker in zijn houding, hem benijdend en bewonderend, maar wrevelig, ontevreden, gemar-teld-woelig. . . .
De Rebbe en de kerkbestuursleden waren uit wellevendheid nog even na de toespraak gaan zitten. Onderwijl zij even met den jarige praatten, die hen over Sjoel- en gemeentezaken gemakkelijk-vriendelijk bezig hield, gingen langzaam de andere gasten heen. Naatje kwam, nu 't zooveel stiller was geworden, even naar haar man en boog zich fluisterend over hem.
„Wat het-ie gezegd, Moos?" vroeg ze heet-nieuws-gierig, Sam bedoelend.
„Nou, hij is gewóón stapel!” pochte Moos.
Sam zag dadelijk hen beiden samen, en lachte onhandig terug naar Naatje's toeknik. Zij wenkte hem, en terwijl Moos even achteruit ging, schoof-ie op haar toe, angstig opeens zich herinnerend de wreede scheldpartij van dien Vrijdagmiddag.
„Kom is hier Sam,” fluisterde ze, „het Moos 't je gezegd? Nou," stiet ze hem aan, nu maar alle laatste ijandigheid wegduwend met lachende oogen die op en neer gleden, „wi-je m'n zwager wel worre?"
Stilletjes intiem sloeg ze hem op zijn schouder. Toch oelde hij nog een tegenzin, 't met haar te bespreken.
„We zullen zien," zei-ie lachend, maar ontweek het dadelijk grage antwoord.
„Je wilt zeker je zuster ook gauw zoover brengen