116
woorden en aanraking van dood heftig ontroerd; schok-kingen van grootheids-emotie joegen door Ihem heen, als had hij zelf voor drommen saamgekopte menschen gesproken. Armzalig groot gebracht, op zijn tiende jaar al voor handel den boer op, had-ie nauwelijks leeren lezen en schrijven, en scheen hem alle groote-dingen-aanduidende Hollandsch, hoe slecht en pronkerig en gezwollen ook, een heerlijkheid van vervoering; al wat-ie gelezen had, hier en daar gegrepen als het hem gemoette, had hij in zich opgenomen met den ondoodbaren hartstocht naar schoonheid van zijn rauwe, telkens in de jacht van handel en in den meesleur der kleine omgeving weer ineenzakkende, dan weer 'koortsig zich omhoog heffende dichterlijkheid. Zoo gebeurde aan den ontroerings-mensch in hem nooit de blankwijde schijn-verstilling der beschaving en woelde er eindeloos het onrustige en weer feller verontrustende verzet, het gescherm van aan elkaar vijandige meeningen, die zich ibei in hem belichaamden, en ook verweer tegen zijn emotie zelve, vooral als hij die voor anderen merkbaar dacht.
Toen hij even stil had gezeten en Marcus Polak rechts naast hem, een arm steengoed handelaartje, met een paar woorden bewonderend over Kan sprak, schokte hij minachtend met zijn hoofd en trok zijn lippen scheevend neer:
„Wat niet soms?" vroeg het koopmannetje, „hef det mannegien soms niet netties espreuken?”
„Joa!" snauwde Hartog, „is 't goed jongien? is 't goed mien ventien? 'IJ hef netties espreuken.... nogh!" spotte hij, z'n kleine, diepweg gloeierende oogen optrekkend: „hij.... hij kan nog geen woord Hollandsch ook niet; kan det kereltien dan ook al wat? 'n bietien Rasche, ‘) en 'n bietien uut de boeken hef-ie,
*) Raschie, Hebreeuwsche initialen van Rebbe Sjeloumo ben Jit&gok, beroemd bijbelcommentator.