106
geschonken had. Maar Moos, met dwaas-huppelenden sprong langs de tafel, duwde ihem z’n glas toe en klonk, tot van Sam's wijn stortte over 't tafelkleed. Alsof in z'n hoofd iets knappen zou, zoo spande er de zich wringende en uitbarstende opwinding voor een raken zet, van een heet-afgewacht moment. Met een rauwen plezier-gil voelde hij het door zich heenspringen, een voor zijn grove leven zeldzame ontroering, krieuwelend gloeiend tegen z'n voorhoofd, 't Most er nou uit, raasde het in zijn valsch genot, hij zol 't nou maar zeggen, ja, ja, kristes wat zol die Sam opkieken!
„Hallef leeg drinken!" getbood-ie, „toe nou, nog niet heelemoale uutdrinken!"
Sam nam het glas van z'n mond terug en stond met moeizaam bedwongen verlegenheid, met zich verwijdende oogen, te kijken naar den uitgelaten neef vóór zich. — Wat most die nar toch, dacht hij, vol geprikkelde verwachting; god, die had wat buutengewoons op zien harte, jazeker, geen twïefel an. . . . En Moos, met z'n hoed in den nek, en een armzwaai langs Sam's gezicht, blikte de kamer rond met oogen die langzaam volgezwolgen schitterden van voldoenings-opge-wondenheid.
„Kom mee!" riep-ie.
„Mee?" vroeg Sam.
„Ja, noar de andere kamer, 'k mut oe hebben, 'k mut oe hébben kerel. Verdomme," beval hij, „a6 ’k zegge, kom mee, kóm dan mee!"
„Ik koome al!" zei Sam, lachend van opgewondenheid, „kérel wat mu 'j toch!"
„Kom nou maar hier deur!" riep Moos, en wijl de dientafel, om aan dien kant door te hollen, te dicht bij de keukendeur stond, duwde hij hem den gewonen zij -ingang door. Wild drongen ze langs de stoelen heen de gang door, waar zij een groepje mannen; de jonge Rebbe, het kerkbestuur met Mr. van Lier, voorbij -renden.