Onwil om alles te geven. Gevecht met haar geld. Al wat ze over kan houden, is ook goed. En niet meer verbergen. Hier vrijuit zijn. Redding zoeken, bij het hare. Dit is het hare. Al durft zij de conse-kwenties van de strijd niet indenken. Al drijft zij de gedachte van zich weg: wat zij ziet en vertrouwd vindt, dat is maar de buitenkant van de Beweging, en het oogenblik van vandaag. Maar die warmte, gelooft zij, is van dit. En die doet haar volksmoe-der-hart goed.
Van haar geld geven.
Of de jonges in huis nemen. En verwennen.
Iets moet gebeuren. Jonges in huis nemen. Of weggeven aan dit. Ook naar die Neeltje de Jongh gaan, helpen voor het kind. Bij de verpleegkosten. Een vrouw alleen. Wat moet ze dan besluiten. Doet ze het nu ook te krijgen, dat angstige, heerlijke geld. Doet ze ook niet te weten wat ze wil.
Denkens-bloed van de oude maatschappij vervult haar. Drachten slaag van arbeidersvrouw een leven lang, bekoelden het voor die wereld. Het geld is er mee binnengehaald.
Het bloed stroomt onzeker. Zij zit beklemd.