A:
^ltijd is bij Jankef Leefmans alle koopmanschap te veel spel geweest, dan dat hij naar het beginsel van de wereld in zijn handel heeft kunnen slagen. Zijn oude Christen-buurman van Ginkel, de timmermans-baas JL. JY^die enkel zijn twee zoons tot helpers heeft, een onnoo-zel maar rechtschapen blijmoedig vriendje van den joodschen geest, staat op een kik van Jankef met zooveel handelsgeld uit de linnenkast voor hem klaar als hij maar noodig heeft. Hij heeft jarenlang het in armoe rondwoelende gezin vanuit zijn werkplaats (’swinters binnen, ’szomers meestal buiten in het straatje) met zijn kleine vooruitgestoken kopje in bezorgde sympathie gadegeslagen. En toen Jankef den eersten keer den moed vond hem voor een handeltje veertig gulden voor vier-en-twintig uur te vragen, is hij in blijdschap weggesprongen om ze te halen: hij dacht dat hij den levendigen Jood nu den weg vrij maakte naar een welstand die hem het billijk evenwicht toescheen voor dien geest, dien zijn liberale bur-gertjes-zin hartelijk en bewonderend genegen is. Hoewel Jankef vandaag dus gemakkelijk de vijfenzeventig gulden die hij voor zijn massematten tekort komt, aan den overkant kan gaan halen, blijft zijn voortgang aan zijn aarzeling hangen: al heeft hij dan al veel grooter bedragen van van Ginkel geleend en met plezier van winst en vriendschap teruggebracht, hij meent opeens niet te vaak te kunnen komen, want hij vreest nog iets anders aan zijn buurman te zullen moeten vragen, en dat is, in weerwil van zijn grifheid jegens David en van zijn verzet jegens Betje.... ruimte! bergruimte voor een rest van zijn gekochte goed. Daarom krijgt hij lust, de plaatsing van zijn leening tusschen zijn broers en Rabbi Meyer te verdeelen. Dat hij zoo hun zedelijken slaap een rukje komt op jagen en hun hulpvaardigheid aan het werk zet; dat hij de genegenheid jegens zijn nood en zijn kansen gaat beproeven in twee huizen waar hij nooit dan bij broodgebrek om enkele guldens dorst vragen, dat pleizier houdt hij voor zichzelf alleen. Gezicht en handen extra gewasschen, de kleeren een schuier-beurtje, een kamstreekje door haar en bakkebaardjes, loopt hij tevreden met zijn plan, stevig, blijmoedig wandelend, over de zindelijkheid van de straatvloertjes, en tusschen de heldere geveltjes van het stadje door, en schept zich vriendelijke tooneelen bij gazzen Meyer en bij zijn broers, die, blijer
93