Eli voelt er zich een beetje vernederd bij staan. Tot Marius, van Hanna af, zich nog vriendelijk naar hem keert:
„Nou jó, willen we dan gaan?”
Dat klinkt voor Eli een beetje als een zakelijkheid, een betaling waarvan hij het onderwerp is; zijn glans komt van Han-na’s zachte bruine haren.
Hoe wonderlijk het is, zooveel onverwachte sympathie te ontmoeten: deze ander verschiet voor hem in zijn beminnelijkheid. Hein Lampe is gelukkig weggeloopen met zijn dubbeltje; dat was niet heelemaal voor Hanna gedaan, gelooft hij. Maar deze dubbeltjes, misschien wel tienmaal zooveel, zijn iets dat hij met moeite moet genieten.
92