den gestudeerden apotheker, is hij getroffen door de bijna ruige pittigheid van het joodsche volksmeisje. Hij ruikt de saamhoorigheid, de offervaardigheid, de innigheid aan haar, en hij haakt er naar, zich met zijn stoutste kanten aan te sluiten bij tiaar haast drieste onbedorvenheid. En dan voelt hij zich door haar vereering en haar verliefdheid omvangen: „welk meisje zou hem niet willen zoenen,” denkt Hanna, „het is doodgewoon een schat.” Zij ziet dat Max zich minachtend van haar afwendt en zij loopt beleedigd het huis binnen.
„Zeg meneer de Rabbijn, nou’s wat anders.” Max, die voor het oogenblik tevreden is met zijn gezag jegens Hanna, vraagt het bijna plechtig, „jullie hebben vandaag rapporten gekregen?”
„Rapporten hebben we nog niet gekregen.”
„Ik meen dat die jonge van van Heukelom ’t zei....”
„Ja, onze rangnummers.”
„O. Rangnummers dan. En heb je ’t nogal geschikt gemaakt?” „Ja nogal.”
„Waar zit je.” Max’ blik glinstert vaderlijk achter zijn brille-glazen, gereed tot bestraffing; hijzelf werkt goed.
„Ik zit nommero één,” zegt Eli gespannen.
„Nummero één? Wel verdikkeme. Zit jij nummero één, ventje?” Eli vindt de stem van Max prettig; zij klinkt al zwaar; met de baard erin. „Gefeliciteerd hoor. Dat kan gewoon niet mooier; nee, ’k moet zeggen (hij haalt nu vroolijk zijn schouders op, zoodat Eli van hem houdt) ’t kan gewoonweg niet beter nee.”
„Wel verdooseme,” roept Marius, „be-jij zoo’n piet?” Hij kijkt op naar de keukendeur die alweer geopend wordt. Hanna is niet van plan, haar verovering in de handen van Max te laten; zij is te zeldzaam. „Kom der maar bij hoor!” schokt Marius lachend met zijn lange lijf, „de stemming is alweer gestegen! Hier, feliciteer je broer maar, die is de hardlooper van zijn klas. Ah!” schertst hij nu beminnelijk naar Eli, „zoo’n verneukeratief kereltje hè? laat ’m maar schuiven: die korte turf die brandt het langst, wat? Ja! (tot Hanna gauw weer, die Eli met zoete Jodinnetjes-plechtigheid de hand drukt en dan de ■wang zoent terwijl zij weet dat zij het voor Marius doet: „goedzoo, plak der maar eentje op; nou ga maar verder rond hoor! wij zijn toch zeker nommer twee en drie als hij één is?” Zij lacht, maar bloost er bij, onder zijn oolijken, maar niet loslatenden blik. Eli kan haar den zoen niet teruggeven, en Max zegt meenens: „Dank je wel, ga mij tenminste maar voor-
89