loopt hij stil-gretig den tuin uit, alsof hij, na veel onnoodig op-onthoud, met een jachtbuit naar het zijne snelt.
„Een goed kantoortje is dat daar zeg!” zingt Hanna over, „is dat soms de heele dag open?”
„Kom maar hier jij, bruintje! moe’j ook wat?”
Zij lachen in eikaars oogen; het ontgaat Eli niet; maar er is iets van groote menschen voor hem aan, op dit oogenblik; hij kan niet glimlachen, hij staart in een geheimzinnigheid. Precies zoo heeft hij zich dat niet gedacht.
„Dank je wel, ik werk voor m’n loon hoor!”
Marius kleurt van de bestraffing die hij in haar aanhaligheid je meent te hooren. Hij ziet vóór zich.
„Ja, je hebt gelijk ook. ’t Is ook verdomd waar ook, ik had ’t niet moeten doen. ’t Is eigenlijk vernederend.”
Max van Raalte gromt: „Doe ’t dan niet. As je der principes op na houdt, moet je je der ook aan houen.”
„Vin jij ’t dan niet vernederend, van Raalte?”
„Ik vin’t verkeerd.” Max richt er zijn blik bij omhoog naar Marius, gezaghebbend, met een glinsteringetje van spottende afkeuring.
„En jij, Leefmans....”
Daar schiet Hanna in een lach. En eer zij nog iets gezegd heeft, moet Eli zijn voorgenomen ernstige houding tegenover deze jongens opgeven; zijn pleizier schatert zacht maar smakelijk naar zijn zusje. De kinderen van Jankef zien elkander aan; de nood van het huis, van waaruit zij de voorposten van de wereld hebben leeren kennen, maakt zich hier vroolijk tegen de smartelijke moeilijkheid van de jonge heeren om het gevaar van Hein Lampe’s dubbeltje. Maar de zeventienjarige Marius, terwijl Max strak blijft kijken, vindt Hanna des te bekoorlijker om dien spot; hij had daar niet aan gedacht, en hij glimlacht ondeugend; zijn groote oogen glanzen het meisje vol vriendelijke nadering tegen. Hanna haalt die liefkozing met haar oogen die stil blijven glanzen en met haar mond die een seinenden glimlach trekt, bijna vertrouwelijk dankbaar binnen. En zij weten beiden al dat er een verbandje is gehecht, dat maar op nieuwe ontmoetingen wacht om een omgang te kunnen w’orden.
„Be-jij d’r ook zoo zeker van? dat hij (hij knikt naar Eli) een hekel aan dubbeltjes heeft?” schertst Marius naar Hanna met al de gemeenzaamheid die hij jegens de eenvoudigen en de armen in zijn aanpassenden aard draagt. „Hè?”
En zij lachen nu stoeischer en luider maar ook onverborgener
87