he-je zeker wel’s last mee, jy. Ja toe maar, ik begrijp ’t wel, vader.”
Nou kan Eli, had-ie ’t ook gewild, niets meer daarover zeggen. „Je moet Jodendominé worden niet? Of zooiets. Is ’t niet? Heb jij daar lol in?”
Vanuit zijn hooge, rechte gestalte kijkt hij daarbij Eli sterk-verlegen aan. De gevoeligheid daarvan verteedert Eli, maar zijn blik kan zich niet overgeven. De vraag treft met te snelle aantasting den droom van een dichterlijk voorzangers-leven. „Nou, het kan ook best hoor!” trekt Marius terug, „je gaat je eigen gang maar. Die lazerstukken van jongens daar trek jij je toch niks van an. Je doet wat je zelf wil. En as je klaar bent, dan zeg je aju. Of je kan ook stik zeggen, zul je mee-
99
nen.
Hij lacht, en Eli lacht ook. Maar toch pas als Max van Raalte is aangekomen, kan Eli iets van zijn evenwicht terug vinden. De jongen uit het arme straatje achter den tuin, uit het arme „Fort”, die door het poortje aandrentelt met de gewrongen zekerheid van den gedulde jegens wien men zich schuldig voelt, maakt het hem gemakkelijk.
„Gee mijn ’n peer zeg!” Hij wijst naar een paar schriele groen gebleven vruchtknobbels die aan den stronkigen, leeg gepluk-ten pereboom zijn blijven zitten.
„Worden niet rijp jö!” sluit Marius aan.
„O best, ik lust ze wel hoor.” Hij ziet Eli aan. „Hé,” roept hij glimlachend, „hè-je de jood ook!”
„Verrek! Hein!”
„Ik ben ook een jood,” verklaart Max van Raalte straffend; hij houdt Hein zijn onbewogen gezicht van den jongen, wel-opgevoeden, studeerenden jood voor. Achter zijn brilleglazen glimmen zijn diep-zwarte oogen den trots van zijn welstand en zijn zekerheid van slagen in beslistheid uit naar het Chris-ten-pauperkind. Dat verklaart in onschuld:
„Nou ja. Maar ik heb met hem hier op school geweest. Is ’t niet?”
„Hein Lampe,” bemiddelt Eli, „ja ik ben met ’m op school geweest, hè?”
Het is de jongen die op het kindervacantie-feest niet mee mocht naar den Dennenberg, omdat hij den meester met zijn klomp had geslagen. De jongen merkt vandaag pas voor het eerst dat Eli’s bijnaam „Jood” beleedigd kan worden opgenomen, hoewel zijn vader, die los slachter is, menigmaal bij
85