komen, op te vangen en terug te smijten en te vergruizelen, als een kracht die zich vergist heeft, en die blijkt te zwak te zijn, en zichzelf te zeker heeft geacht.
„Keldermot, keldermot.” Dat met Louise van der Wal en dat van dat „Gazzen-schap” houdt hem toch van allen verwijderd. Met die goddelyke Louise van der Wal is het toch ook heel iets anders. Daar gaat natuurlijk alles even zoet en liefelijk in zijn werk. Dat weet je: achter dat roombleeke gezicht met de diep-donkere oogen binnen dat prachtige zwarte haar, daar gebeurt alles fijn en stil en zacht-specerij-geurig. Je kunt het immers aan de stem wel hooren, dat daar nooit iets leelijks of werkelijk doms gebeuren kan. Toen hij zich tegen de trapleuning drukte terwijl zij langs hem heen ging vandaag, had ze dat wijnroode manteltje weer aan. Donker wijnrood, het kan niet mooier. Zou ze zulk soort manteltjes altijd blijven dragen? Ze zagen elkaar, zij en hij. Het is toch zoo, verdomme, dat hij vandaag nommero één is geworden! Het is wel gek, en hoe het gekomen is, weet hij niet. Maar het moet waar zijn: „Leefmans nommero één!” dat heeft voor de heele klas, uit den mond van De Vaars geklonken.
Daar moet straks hartig met vader over gepraat worden, dat er een nieuw pak kleeren moet komen. Hij kan zich nu niet langer zoo aan haar vertoonen, onmogelijk, in deze beschamende kleeren, nommero één, als haar bruidegom.
Een ouwelijke hang naar pathos, het vroege branden van het ideaal, in jachtige lichtspattende eerzucht, hijgt drijvend en juichend in hem rond.
83