grijs, met zilverige judas-penningen op het japansche tafeltje waar de bleeke hand zich legt, heeft hij, als de lichtste en vleiendste partijen, gezet tegen het donker-wijnrood van haar japon, het glans-zwart van het tafeltje, en van haar scherp-gesneden ponny op het elpen-beenen voorhoofd-vlak. Met het olijf-groen van den achtergrond verwijderd verbonden, hangt een droppel dof-groen van een steentje in het midden van haar hals-room. De gouden: van het kettinkje, als een draadje zoo dun, van een mat vogel-ornament op het lak-glans van het tafeltje en van het schakel-armbandje om de rechterpols bij dien satijn-wit en paarlemoeren waaier, dolen, maar met vastheid, in die donkerder en edel-bleeke en zilverige vormen, als de rijkste flonkeringen van een vreugdigheid die geen lichtzinnigheid mag heeten; zij zijn als uitgezonden en gehouden door den stillen praal der goud-moezen van den achtergrond.
Het Liefste Meisje van de Wereld: vanaf den ochtend met den sleutel, langs dien avond aan den overkant van het muziek-plein, over het nachtelijke oogenblik heen in zijn suizende Sjoel-stilte, en de ontzenuwende heen-botsing in de hal na het Feest, naar hier. In al dien voor hem kouden glans van den jongedame-bloei vindt hij nog maar één ding herkenbaar: de glimlach in oog om mond dringt er een lieven onzekeren slin-gerlijn door, die alles weer schijnt te omwinden, en mee omhoog wil dragen in de on-grijpbaarheid. Dat is de kern van de Onbereikbaarheid, van de ontschieting, die zich in de vormen rondom nog niet tot kille verwijderdheid heeft kunnen zetten. Ontsteld kijkt hij toe, met verwrongen nek door het buigen om den hoek der groote jongenslichamen heen, De Bas en hen vergeten, die heen en weer bewegen in hun zwetsende bewondering voor het portret en voor de heldin van hun jeugd-kring. Zij merken hem gelukkig niet op, en hij blikt, nu en dan opzij gedrongen, nog een korte poos naar die wonderlijke jonge vrouw, die eens Louise Maria van der Wal was. In zijn klas, links van hem, achter het belemmerende lichaam van Paul van Marken. Met stillen droom bespied, met teederheden omvlogen, met schalkschheden heimelijk bezocht. En die maar zat, en glimlachte, en haar zachte, weinige woorden uitzond: een edel meisjes-wezen, van levend albast met stemgeluid begenadigd. Rein- en enkel met haar heerlijkheid stil-werkzaam; als, in den ochtend-schemer, een rechte, bedauwde bloem. De zachte inloop van een wereld.
327