gooit het glas om met zijn handen, die vijand van God,” sist zij haar woede tegen den ondermijner van hun brood-veilig-heid.
Maar David schijnt alle verband met de broers en zusters ontschoten. Hij is hun knecht geweest, hij heeft hun woorden nagepraat, hij heeft onder zijn armoede geleden en heeft nooit aan een verwijt tegen hun grootere inkomen gedacht zoolang hij er van mee-at. Hij heeft een half jaar lang zich met hun handelsongeluk door de lucht voelen slingeren, en met een verkommerd gezin ontredderd geleefd, gesjouwd, gedraafd, gepoogd, aan kleine kansen gemorreld, zich in gevaar begeven en domme angsten uitgestaan, terwijl zij hier nog vettigheid en aartsvaderlijk plezier genoten. En hij heeft geen antwoord op het verwijt van Herman en de meisjes dan een haatblik, een blik vol genot aan hun berooiing, zooal niet omdat hij zich verheugt om hun naderende verarming dan toch omdat die hier de zekerheid van zijn komende volheid beteekent. Een haatblik naar den mededinger om het eigen hol, dat zich misschien zat gaat eten. En terwijl hij zijn platte pet omhoog tikt, komt hij los: „Wat meen jij, en jij, en jij, dat ik Izak en Moos zal verbieden om hun brood te verdienen? Voor een ander? Voor wie ook?” Hij grimt met half-open oogen als verzet tegen de aantasting van zijn recht om hen het brood af te nemen, en hij ziet bleek enkel om den angst van zijn laatste kans op verdienste te verliezen, wanneer het met zijn jongens nog weer eens mis mocht loopen.
„Hebben ze het zeker niet van ons geleerd,” roept Herman gesmoord van ontdaanheid. „Dat zijn bandietenstreken, om met alles wat ze hier hebben af gekeken, ja! naar onze klanten te gaan en ons der buiten te laten. Dat is de vuilste diefstal die men zich denken kan.”
„Hadden jullie ’t gedaan,” snauwt David geërgerd, „nou doen zij’t. Hebben ze’et geleerd, hebben ze’et van jullie geleerd. Geef jullie ze te vreten? En mijn en mijn vrouw en mijn kinderen te vreten? Ogh!” roept hij minachtend.
„Daar rust Gods vloek op,” hijgt Klaartje, terwijl Rachel zwijgt met gloeiende oogen, „die handen die’t doen, zullen afvallen, en de beenen zullen ze onder het lijf knikken, eer ze zoo ver zijn dat ze hun doel zullen bereikt hebben.”
„Och verrek,” minacht David, „verrek met mekaar!” Hij draait zich om, en terwijl hij heengaat: „Zal jullie vragen wat mag of wat niet mag,” bijt hij nog geërgerd. Hij weet dat hij
21
321