Kom je afscheid nemen? Nou zeg dat dan jonge, je staat of je niet weet wat je zeggen zal,” lacht zij valsch.
Als dan toch Jankef haar kinderen bij de muziek op het plein ook zoo laf mishandeld heeft! „Die valschen hond” heeft Da-vid gezegd. Hij begrijpt wel wat er gebeurd is, David, maar moet men dan soms alles zeggen? En is het hiér niet voor, dan is het toch zeker wel voor wat anders, als die Paus er eens van langs krijgt. Hij komt niet, dat laat hij wel uit zijn hart, maar van Jetje zal hij lusten.
En David stiklacht bij de gedachte, hoe die uitgestreken Jankef er tusschen zal zitten en niks kan zeggen. Want meen je soms dat-ie van zich af praat? Hij houdt zijn sjnaajem, die doodgraver! Is-ie goed? Op iets moet men zich toch een beetje wreken? Maar wacht maar! Als zijn jongens daar in Londen en in de Hoek van Holland zitten om zelf het vleesch aan de mart te brengen. Pooten hebben ze an hun lijf, en uitlachen zal hij ze hier, met mekaar: zoowel Ozer en die valsche mien van een Herman, waar-ie de brood-centen uit de handen heeft moeten aannemen, als aan die gluiperige roomsche opper-Raaf van een Jankef, met zijn mooie smoessies en zijn verbeeldings-oogen die je ankijken of je zijn snot-schooljonge bent. Yan Schiedam naar Delfshaven; en van Londen naar de Hoek; maak me daar een pakkie van, van ’t overige kunnen ze hier doodvallen, als-ie ’t mazzel heeft dat-ie eens alle dagen vreten op zijn bord zal hebben.
Eli kan er met zijn groet niet tusschen komen, bij Herman en de meisjes, zoo keert zich alles tegen David daar, wiens jongens de Oomes in hun plannen niet hebben gekend en hun vernietigende concurrenten gaan worden.
„Goeiendag, o goeiendag, het gaat je goed.”
Alleen van Fie krijgt hij een schuwen tik van een dikken warmen vinger tegen zijn wang. „Nou leer maar goed,” roept zij, „en mazzel en gezondheid jonge, en dat je een sieraad voor je vader en voor ons mag worden, zooals God het voor je bestemd zal hebben.”
„öns der in’t geheel niet in te kennen, alsof we niet bestaan,” bijt Herman bleek naar David. Die staat bij de tafel met zijn groote lijf overgebogen naar zijn broer, over zijn schuldigheid heen afwendend en dreigend. Hij stoot de uitgesiste kaars om van de Hafdoole-ceremonie, de scheidings-plechtigheid van Sabbath en begonnen werkweek.
„Kijk, hij gooit de kaars om!” schreeuwt Klaare de Jong schor, „gooi de Hafdoole-wijn niet om! kijk daar! neem es weg! Hij
320