Geen groet meer, ook vandaag niet, tusschen Evelien Meyer en Eli bij het blauwe hardsteenen stoepje en de glanzend geverfde deur van de van Raalte’s, wier huis zij verlaat. Geen poging meer bij Eli om haar vaarwel te zeggen: genoeg op Louise van der Wal’s harnas gestooten, dat hij niet gezien had toen hij meende met haar, daar in de gang van de Sjoel, in het Paradijs van de Jeugd te staan. Weg dan maar, eens zoete Evelien, rijpere moederlijke liefelijkheid; vijandschap die je wordt aangeboden kun je eerst weigeren. Maar als ze je zoo volhardend wordt opgedrongen, moet je ze wel aannemen; je krijgt ze met je mee als iets waar je niet om gevraagd hebt, maar waarvan je hardhandig wordt te verstaan gegeven dat je het toch het jouwe hebt te noemen. Hij kan het wel niet verklaren daar bij de stoep, waar zij langs hem heen gaat om zich bij Born aan te sluiten, maar hij ondergaat het als een steek vanuit het duister, grimmig bewust naar hem gestooten als een loon, zonder dat hij iets kan kennen van de daad waarmee hij die haat-afrekening heeft opgewekt.
Hanna vertelt hem van Evelien’s opdracht, als hij daar goeien-dag komt zeggen. Zij weet nog niets van Evelien’s vertrek; Rosa heeft, in haar moeilijkheid om Evelien’s vriendschap niet heelemaal te verloochenen, en Meyer’s gezindheid niet af te snijden, Hanna alleen gevraagd het doosje voor Evelien goed te bewaren en het terug te geven, als er naar gevraagd zal worden. Hanna, zoo meent Rosa, zal Evelien’s vertrek toch gauw genoeg als een schandaaltje kennen. Maar al heeft Rosa nog eerbied genoeg voor de waarde van de gouden kostbaarheden en de poëzie die zij als Joodsche meisjes-erfstukken voor haar dragen, de tegenzin tot elke medeplichtigheid aan Evelien’s vlucht waartoe het afscheid haar heeft geprikkeld, drijft haar van elke persoonlijke bemoeiing weg met de doos uit de meis-jes-kamer van het Rabbi-huis. En Hanna vraagt Eli:
„Die sleutel waarmee dat gebeurd is, die is er zeker niet meer, hè?”
„Die sleutel heb ik nog. Wat moet jij daar nou weer over, Hanna?”
„O, nee, broer,” zingt Hanna sentimenteel, „wees maar niet bang; ik wou je alleen maar vragen, of ik’m mag.”
„Waarvoor in godsnaam?”
318