Rosa blyft dan toch verantwoordelijk jegens Evelien voor die gouden voorwerpen. „Ja god, bij jou zijn ze dan toch per slot van rekening ook niet veilig.”
„Och nee, het is goed,” zegt Evelien verslagen. „Och het is toch maar een overdreven gedoe van me.”
Zij heeft het bezit er van toch, met een bloedigheidje van angst, al opgegeven.
317