God, weten ze nergens van? Nou, wil je ze niet verkoopen? Als je ze toch niet meeneemt?”
Evelien is niet slim genoeg op dat oogenblik om te begrijpen dat Rosa met die hulpdaad de kans op Stella’s huwelijk met Meyer niet in gevaar wil brengen. Rosa vindt het afschuwelijk dat zij tegen haar vriendin nu hierin zoo openlijk valsch moet zijn.
„Wou je’t niet doen, Ro?”
„Och natuurlijk, zet maar neer. Zie je Eef, je moet denken, ik blijf hier, zie. Ik moet toch met de menschen hier ook om bly-ven gaan. Begrijp je? Maar.... ik kan er toch wel, voor jou thuis, wel buiten blijven? Als ik het nou aan Hanna overdroeg.”
„Hanna? Hanna Leefmans?” Evelien kijkt omlaag.
„Hanna is dood-eerlyk, Eef,” zegt Rosa rood, met een nadruk die Eef tot de orde moet roepen.
„Ze kan wel dood-eerlijk zyn,” mokt Evelien, „maar het is een scharreltje.”
Rosa trekt haar brauwen op. Tot die hooghartigheid heeft de aanstaande mevrouw Born natuurlijk haar recht. „Ja, gunst.... maar ik kan haar toch niet gaan voorschrijven hoe ze haar vrije tijd moet besteden....”
„En dan vind ik het zoo vervelend,” zegt Evelien, „dat ze met dat eigenwijze joggie daarover gaat kletsen.”
„Wie.”
„Dat eigenwijze gekke zenuwstandje, dat die arme jonge van Peter een oog heeft uitgegooid.”
„Ja.... Maar daar hebben we het al eens eerder over gehad. Ik vind ’t ook wel erg. Maar ik geloof dat jij het wel teveel van de eene kant beschouwt, Eef....”
„Ik vind ’t een naar, overdreven ziekelijk mannetje.” (Rosa bekijkt haar opwinding met gelaten afkeuring) „En ik vind ’t naar, dat zoo’n Hanna daar met die jonge over gaat kletsen.” „Ja maar Eef, ze worden het toch allemaal gewaar (zij lacht er verlegen bij). Als je zooiets doet, God, dan weet je toch dat iedereen erover spreekt. En wat doet nou in Godsnaam zoo’n jonge daaraan toe. Trouwens hij gaat morgen naar Amsterdam. Maar hemel....”
„Ik vin’t een akelige jonge.”
Zij zijn beiden opgewonden, en Eveliens toestand wordt stekelig pijnlijk, als zij driftig met haar stoel achteruitschuift, en Rosa nog tijd vindt om zenuwachtig te waarschuwen:
„Pas op, kind, m’n behang!”
316