vriendschap te houden, en dat zet haar aan tot hardheid van voornemen: goed, zy zal overwinnen. Rosa niet meer naderen, eer zij als getrouwde vrouw voor haar verschynen zal. Rosa, de wereld, wil nu dat zy met een huwelijk overwinnen zal. Dit weet zij: den eisch van de wereld kan zij nooit ontkomen. Een taak die benauwend schijnt, maar die zij nu met al haar kracht moet aangrijpen. Die eerste zoen op haar mond, dien zij toch pas gaf nadat hij alles nog eens nadrukkelijk had uitgesproken. Een klein, fel schrikje in haar, om die harde glinstering opnieuw, in zijn oogen, zoo alsof al de zachtheid van zijn wangen en van zijn stem haar belofte niet hield. Zij heeft zich nu eenmaal altijd gedacht dat zij, in de kus, met een soort zachte kracht veroverd zou worden. Zoo, alsof de man van beneden opkwam, van zijn knieën omhoog, naar haar op, zacht, vast, dringend. En nu was het weer iets van dien avond in het bui-ten-café-tje, iets van dien greep van boven af, o ja, vriendelijker dan toen, maar toch met een wildheid die nog vreemd is, enkel dat wildheidje, enkel dat harde glinsteringetje op één plek in de oogen. Al weet zij, dat de liefde van den man wordt bepaald door wat hij de vrouw geeft aan de kracht van zijn plaats en de aandacht van zijn woorden, en dat het kinderachtig van haar moet zijn, op die kleine daad van de omhelzing zoo gevoelig te zijn als een bakvisch. Maar zij weet toch ook waarom zij die Joodsche erfstukken van haar grooma naar hier brengt: om dien angst bij den zoen, en om wat er meer vreemds aan Peter voor haar is, dan zij beiden terecht willen erkennen. En omdat zij, in den uitersten hoek van haar hart zich de waarde van die gouden dingen wil verzekerd houden, ja meer nog die waarde, dan wat zy beteekenen aan de vertegenwoordiging van haar huis en haar Joodsche meisjes-jeugd. Want die beteekenen zij voor haar. Want het allerliefste zou zeker zijn, als Peter ze vriendelijk met haar bekijken zou en de inschriften lezen (die hij verstaan kan, hoe aardig) „We-gawwo-ymkol-goj: En Eva is de moeder van al wat leeft.”
Maar hebben zij niet juist op hun laatste wandelingen vastgesteld, dat wat ons het allerliefste lijkt, vaak niets anders is dan het zwakste dat ons laf maakt en ons van ons geluk terughoudt?
„Kan ik ze hier laten, Ro?”
„Kun je ze niet thuis laten?”
„Als ik ze thuis laat, kan ik ze toch nooit meer terug krijgen.” „En Heleen? Heb je Heleen ook niks verteld? Branca? Nee?
315