natuurlijk, als jij.... En hou je zooveel van’m kind, dat je dat alles durft wagen?”
Rosa kan zoo ver praten, merkt Evelien, dat zij Born tenslotte als een man-als-elke-man, als een pak nette heerenkleeren met Christen-deftigheid en helderheid in haar verbeelding naast zich op straat ziet loopen. Zij is afschuwelijk, Rosa. Zij is ja-loersch omdat zij de vrouw gaat worden van doctorandus, straks Dr. Peter Born, en omdat Rosa’s groene Josefie Leef-mans uit de vodden, zoo’n kilometer lang end zijn mindere is. „En zijn jonge?”
„Zijn vrouw zal hem stellig zijn jonge afstaan; hij is er zeker van.”
En geloof je er nog iets van als je dat alles tegenover die on-geloovigheid moet uitspreken? Alle hoop zakt ineen, en je zou willen neervallen en „nee” roepen, „nee, het is zoo, ik beeld me maar wat in! Wat doe ik!” Maar je wilt het niet, want je grijpt naar je belooning, naar het sluitstuk van al dat schitterende spel, en je bent er in opgedreven. En dat weet je: zooveel onzekerheid tegenover zichzelf heeft elke vrouw op dat oogenblik, en altijd, op elk oogenblik voor de beslissing; elke vrouw behalve de overdreven gekkinnen die met gekken in zee gaan.
Evelien vergist zich niet heelemaal in Rosa. Zij is niet jaloersch, maar terwijl haar trekje hang naar het buiten-alledaagsche wordt getroffen door de uitzonderlijkheid van het geval, doet toch de moed van Eveline’s daad haar in bewondering, maar ook in verzet komen tegen die verkleining van haar eigen durf bij haar huwelijk met Josef Leefmans; want daarvoor gold zij bij de haren als een moderne verlichte vrouw. En dan ontstelt haar de buitenwettigheid van een „vlucht” met een getrouwden man; dat heeft zij zich niet kunnen indenken, en dus gaat het haar aanvaardings-kracht te boven. In haar kamer, die, bij duf-warme schemeringe-tjes van ouderwetsche stukken, den kouden glans van een ameublement heeft dat zij voor modern houdt: hard bessensap rood van leer-bekleeding, onmachtige halve verstrakkingen van het vorm-rond — staat zij tegenover de zittende Evelien met een hoofd dat rood heen en weer wrikt. De vrij groote, langwerpige oogen, die iets bols hebben door een als opgelegden glans dat haast een vlies lijkt, kijken verschrikt en zorgelijk naar het meer dan tien jaar jongere meisje dat haar ontsteld blijft aanzien. Want Evelien voelt zich, op dat oogenblik juist, te veel bedreigd, om niet te merken, dat Rosa’s zorgelijkheid een onttrekking is. Zij weet dat zij zal moeten overwinnen om Rosa’s
314