kring. En mag zij dan werkelijk de woorden van een gentleman niet vertrouwen? Is het nu niet vanzelfsprekend dat zij Mevrouw Born gaat worden, nu zij „op die basis” afspraken een uitstapje te maken? (Hoe weet dat Christen-vrouwtje dat: oppassen voor een blonde vrouw en een reis? Een reis: hoe is het mogelijk. Dien dag dat zij Peter’s vrouw daar tegen kwam, in dat straatje bij het open veldje. Een blonde vrouw, en een reis!) Volle ernst is er bij beiden. Maar er zijn in zoo’n toestand altijd ongelukkige mogelijkheden. Peter wordt haar man; hij gaat scheiden, hij komt met haar op een uur trein-afstand van hier den Zaterdag en Zondag doorbrengen, dan den Woensdag-middag en -avond, alle uren dat hij vrij zal zijn. Hij gaat scheiden, en zij vertrouwt op de veerkracht van haar lot. Hij gaat scheiden; zij heeft macht, zij krijgt de beloo-ning voor haar volharding, voor haar beheersching, telkens als de zwakheid dreigde haar „in de modder te gooien”; zij wordt mevrouw Born. Hij houdt van haar; hij beheerscht zich voor haar, schaamt zich voor zijn mannelijke zwakheden, zijn onbetamelijke opwellingen; hij weet dat zij niet anders dan zijn vrouw wil zijn, en wil haar als zijn vrouw winnen.
Drie dagen al loopt zij te aarzelen het Rosa van Raalte te vertellen, de eenige hier wie zij het durft toevertrouwen. Jaloersch nog, Rosa.
„Durf je dat zoo maar an, kind?” Breekt al haar zekerheid af, stelt de uitkomst voor als een afschuwelijke banaliteit, en haar lot als dat van een „meid”. Zegt het niet openlijk; verzwijgt het bescheiden, en graaft daarmee alle vreugde uit haar hart. Jaagt er elk stukje onzekerheid mee op dat zij verborgen houdt, alle wantrouwen jegens Peter en jegens zichzelf. De Liefde, de Liefde! „Als je van elkaar houdt, heb je toch geen geheimen, vind ik.” Alsof zij speciaal als Joodsch meisje bij Peter komt, met haar Joodsche erfstukken van grooma: de gouden tasch, de beker en de armband met de joodsche letters: bij Peter daarmee aankomen!
„Als je van elkaar houdt, geen geheimen, vind ik.” En zij dwingt haar alles en zichzelf in dat korte oogenblik te onderzoeken: waar is haar zekerheid?
„En geloof je dat hij zijn vrouw voor je opgeeft? en zijn betrekking? Ja, want....”
„Hij mag toch zeker met mij evengoed getrouwd zijn als met haar?”
„Ja maar zie, dat gaat allemaal zoo gemakkelijk niet. Maar
313