Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



verwyt.” Nu naar haar op, glimlachend, maar met wijde oogen vol ongeduldige lust: „Je geeft wel vertrouwen, maar niet alle vertrouwen. Je kunt er heel goed iets op zeggen.”

Hij had alleen nog maar in zijn glimlach een rest van beheer-sching en ommanteling. In zijn wijde oogen lag eischend zijn wil open. Zijn mond stond bitter van begeerte. Zij was een zoete uitheemsche vrucht, en hij wilde niet meer wachten met toe te grijpen, ze trillend tusschen zijn kaken te brengen, stuk te bijten en lang achtereen tot de laatste sappen toe uit te zuigen en de pitjes weg te spugen in de vergetelheid. Zijn loon tusschen zijn kaken. Hij voelde zijn kaken groot als van een Heidensch Godsbeeld; zijn oogen als ontzaglijke spiegels waarin haar smakelijke beeld tot twee dwergfiguurtjes verknepen werd; zijn handen als geweldige klauwen die haar teere gebeente bij het binnenhalen moesten ontzien, eer hem hun fijnheid in het kraken zou ontschieten.

Evelien wist dat zij in een gevaarlijk gevecht zat. Zij zag langs zijn gezicht; zij gruwde van alles behalve van zijn vriendelijk gebleven stem-geluid. Zij spande zich tot haar nauwste omtrekken, maar zij bleef kalm en verbleekte zelfs niet.

„Jij hebt een vrouw en een jonge, Peter.”

„Wat? Ja Evelientje. Maar die zijn hier nou niet.”

„Nee maar ik weet waar ze zijn. En hoor eens even. Zeg, ik geloof dat we verstandig moeten zijn en niet boos op elkaar worden. Als we nu samen naar huis gaan, worden we boos op elkaar. Ik ga nu een auto bestellen, voor mij; en dan ga jij straks.”

Als een dunne scherpe kracht voelt zij zich; hem als een wijde, vooze. Het is haar of hij dronken is, met dien wijkenden mond en dat harde kerntje in de oogen, een groote kroeg-baas. En die dunne scherpe kracht in die wijde vooze te smijten: zij denkt er niet aan. Een „meid” te worden, zijn „meid”: nooit. Nooit dat, waarna zij, uit eigen schaamte, niet meer thuis zou kunnen komen.

„M’n arme jonge kan ik niet in de steek laten.”

„Dan zou ik ook niets meer van je willen weten.”

Weg is zijn verbeelding: hier in een dorpje, in een logement, met haar, zijn verrukkelijke buit. Hij walgt een beetje van zijn opwinding, nu die hem ontsleurd wordt als een goor kleed. Eerbied, en vrees haar te verliezen, zetten zich in hem, bij de sluwheid van het mannetje.

„Jij bent wel een vrouw om mee te zijn, zoo.... Ja, ik zal een auto voor je bestellen. Ik weet dat we niet boos op elkaar zul-

311

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.