Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



treffer een ongeluk te noemen. Hy staat, zwijgend, voorover geplant, bij Peter in de kamer; die liep naar het venster waarvan hij de gordijnen opzij schoof, en trommelde op het glas, dieper bewogen dan de jongen, verscheurder.

„Fijn, dat je kan fietsen,” zei hij, half naar den jongen gekeerd. „Zeg Mat, het is nou uit met die wildheid hè? Heelemaal hè?”

Die knikte. En ging dan, na een zachten grom van Peter die een groet moest beteekenen, en een sein van vreugde om hun hernieuwde samenzijn.

Hij vecht voor harde zuiverheid, maar zijn wapen is stomp getroffen, en zijn hardheid is geschokt. Aan den eenen kant antwoordt hij met zich op Meyer’s lessen te storten, met een woede waarin hij zijn hartstocht voor Evelien voelt monden. In dat wegnemen van Meyer’s leerlingen weet hij wraak op de wereld, en dan op dat deel van de wereld dat het meest voos en trefbaar is. Bespottelijk dat dit vreemde bloed den geest van zijn werelddeel zou onderrichten met zijn toevallige en gammele kennis van de stof, tengevolge van zijn vergeten uit-heemsche herkomst. Goed en heerlijk om die huppelende ouwe Jood zijn valschen luister te ontplukken: Meyer staat hem machteloos en bleek verbitterd na te zien als zij bij het Gymnasium elkander groeten, nadat op één na zijn laatste leerling naar Born is overgegaan. Aan den anderen kant kan Peter het zelfbeklag van den geslagene niet in zich onderdrukken, nu zijn hardheid niet ongeschonden kan zegevieren. Uit dat zelfbeklag, uit die lijfelijke gewondheid zoekt hij vergoeding, ja loon, in zijn aandringen op Evelien. En die beide bewegingen schijnen hem ééne toe; in Evelien ziet hij Meyer’s dochter niet, maar een jonge mooie Jodin, die zijn pijn gaat stillen. In zijn verbeeldings-bouw ziet hij er een offer in, door haar volk aan hem uitgeleverd als boete; een oorlogsbuit, de bloem van de haren, naar hem toegebloeid als strijd-geschenk van het lot, voor de kracht van zijn rijpe overwinnaars-bloed. Tot haar alleen heeft hij gesproken van het Booze Oog in Matthias’ gezicht, een herfstigen avond, twee uur van de stad, in een buitenkroegje.

„Ja wat moet ik er van zeggen,” zei Evelien met een bezorgden blik omhoog, „ik kan er niets op zeggen. Als het je zoo weinig vertrouwen lijkt wat ik je geef.... Jij kunt altijd weer opnieuw met het zelfde verwijt terug komen.”

Hij, voor zich heen eerst: „Dat zal z’n oorzaak hebben, dat ik steeds terug kom. Ik kom steeds terug, maar niet alleen met

310
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.