door een uitbarsting van die troebelheid onder de menschen waartegen hij zijn leven gericht voelt, houdt hem lang geschokt. Het ideaal van gezondheid en kracht tot gave reeë manbaarheid, zooals hij het in Matthias vertrouwde te zien groeien, is nu door een laagheid geschonden. Het is alsof, met dat glazen oog zelf, een kwaadaardige splinter van een vuil-meteoor door de hand van dien jodenjongen in het gezicht van zijn zoon is geslagen. Alsof de wereld van dat jodenkind, in haar vijandig instinct, haar lichamelijke ongaafheid, haar vormloosheid, naar de vorm-zuiverheid van zijn jongen heeft geslingerd, om haar gevloekte geschondenheid voor altoos schendend in hem te planten en hem aan haar gedrochtelijk-heid gelijk te doen zijn. Er zijn enkele oogenblikken, zijn scherpste, zijn bitterste, in zijn werkkamer, dat hij nog weken na de daad, juist de verschijning van dat glas-oog ziet als een schot van volk tegen volk; in zijn op de mythologie verliefde verbeelding: als een pijltreffer uit den boosaardigen koker van het verdoemde in het edele lichaam van den geest der licht-orde. Verminkt moet het edele nu rondgaan met dien valschen scherf, als straf voor het naderen van die besmettende duisterheid, die het heeft nagelaten te vernietigen.
Teruggekeerd tot de dadelijke werkelijkheid van Matthias’ verschijning, ziet hij, in zijn opnieuw inzettende spijtigheid, het glas-bolletje als het Booze Oog; uit zijn jongen blikt het Booze Oog van het achterlijkste element van de Joden hem tegen. En hoewel hij vrij is van den wanhoop der hittigheid die hem Matthias had doen dooreenschudden — want hij glijdt door zijn tijd als over zon-beschenen ijsschotsen, en zjjn verheffingen raken door die tegenstelling de verheffing van alle anderen — heeft hij hem toch eenmaal, bijna als een snauw gezegd:
„Wat deed je je ook met dat vuil in te laten.”
Hij moest zich beheerschen om er niet bij weg te loopen en Matthias in zijn verlatenheid te laten staan.Hij moest er op terug komen; smeet zijn schouders weg en zei mompelend: „Ne-ja; is ook verdomd vervelend van me. Vin’t beroerd voor je; kun jij der nou an doen.”
Matthias stond wijd-beens, zijn hoofd een slagje voorover, zwijgend, zonder tranen.
„Och Pa, ik heb toch.... ik heb die Jood toch ook gepest.... dat zei ik je toch. Ik heb’m een hoop gepest, Pa.”
„Matthias! ik wil niet dat je zoo spreekt!”
Het is te moeilijk te vertellen van de schuur-brand en van alles wat hij Eli heeft aangedaan. Het is niet gewaagd, dien sleutel-
309