die zwarte vrouw; de reis waarvan bij haar eerste bezoek gesproken werd, leek eerst wel duidelijk de wegdraging van Matthias naar het ziekenhuis; maar nu?
„Een zwarte vrouw,” zegt het vrouwtje hij haar uiteengelegde kaarten, „en een reis ook.”
„Een reis?”
„Jazeker. Zeker. Een reis. Der gaat iemand van U op reis. Maar hij komt behouden weerom.”
„Ik dacht eigenlijk dat die reis der al geweest was,” zei Anna flink.
„Der legt een zwarte vrouw en een reis op je huis, juffer; dat kan ’k je wel vast en zeker zeggen,” verklaart Marregien met voller zekerheid door de houding van haar twaalf-stuivers-klantje. „Het loopt allemaal wel best weer af, zie, dat geloo-ven ik wel vast. Maar je moeten der toch opletting op geven.” „Zoo, tóch, hè?”
„Ja ik kan vanzellef niet zeggen wat je dertegen moet doen, zie. De kaarten die zeggen enkel wat er is. Maar wat je te doen staat, kijk, dat issen om zoo te zeggen mijn werk niet. Ik mag enkel alleenig zeggen wat ik zie.”
„Ja ja.”
En komt het doordat je je het verbeeldt, omdat je van dat vrouwtje weg, in de knoop zit met je eigen gewone zeker-heids-gevoelens, of was het toch zoo dat die zwarte jodin van Mever haar ontdaan aankeek, toen zij haar vlak bij vrouw Lampe passeerde? Zijzelf schrok zeker, alsof het vrouwtje gezegd had: je moet voor een zwart beest oppassen. En je stapt de deur uit, en je ziet het beest. Er gebeurt iets afschuwelijks in je bloed. Je loert elkaar aan, en het is of je een oogenblik met de hoofden dicht voor elkaar staat; daarna is er toch iets prettigs van de spanning. Anna weet op dat oogenblik niet dat zij al honderd zwarte vrouwen met strijdbaarder aandacht heeft aangekeken dan ooit vóór die eerste verklaring van vrouw Lampe. Maar zij weet nu wel dat zij deze jodin toch altijd een bijzonder onaangenaam aanstellerig wezen heeft gevonden, met haar uitgestreken gezicht en haar zoogenaamde mooie oogen, waarachter de streken leven. Een echte schijnheilige, geraffineerde meid; mannen genoeg voor wie zooiets gevaarlijk is. Peter heeft toch wel gelijk, denkt zj: het is een onsympathiek volk.
Is Anna zoo van Matthias’ ongeluk op het eigene afgeleid, Peter blijft met zijn gevoelens langer in de buurt van zijn getroffenheid bezig. Het verlies van het oog van zijn jongen
308