A ls Anna Born haar jongen uit het ziekenhuis terug heeft, is het leed om het verlies toch langzaam-aan bij haar / \ verwerkt. Zjj weet dat zij nu voortaan een jongen met r een glazen oog heeft; een blijvende geschondenheid JL- -1^-van het lichaam. Maar als de pijn voorbij en het glas in-gewend is, kan zij de ontsteltenis van den ongeluks-dag voor haar verbeelding terug roepen, maar in geen enkele mate nog als werkzaamheid ondervinden. Zij weet dat haar jongen ook zóó op de plaats zal komen waar zij hem zien wil; dat heel haar kennissenkring hem eert om dat op het slagveld van de ridderlijkheid ontvangen lidteeken. En dat de wereld die van dien kring de uitbreiding is, zonder aarzeling daaromtrent hem loonend in haar dienst zal zetten. En dan vindt zij, achteraf beschouwd, het toch ook wel logisch, dat met zoo’n jongen als de hare, het leven niet zonder beroering voorbijgaat. Zij heeft geen gewone doorsnee-burgerman getrouwd; zij is de vrouw van een dichter en Matthias is zijn jongen; de gebeurtenis heeft het leven bij hun tot trilling gebracht. En zij weet, al zal het weldra weer verstild zijn, en zijn rustigen allengs toch ook matten gang hernemen van het regelmatig onderscheiden bestaan van den leeraar-dichter: de stad spreekt van hen, en is de mensch anders? het is aangenaam, genoemd, beklaagd, geëerd te worden. Maar dat is dan ook alles wat de gebeurtenis haar geschonken heeft. Zij zeker had aan aandacht, aan genegen bemoeienis behoefte. Matthias is geen onhartelijke jongen. Maar hij drijft zijn eigen leventje. En het vertrouwen dat hij geeft, gaat naar Peter uit. En geen neiging tot schoppen tegen het ledikant, en zelfs niet die ééne keer de gedurfde schop zelf, en ook niet de stille gezamenlijke gedruktheid van de eerste avonden dat Matthias in het ziekenhuis bleef, hebben Peter zoo na tot haar gebracht als zij wel gewenscht en een oogenblik verwacht had. Een beetje als een vreemde loopt zij rond in haar huis; een beetje als een huishoudster verzorgt zij de maaltijden en kondigt zij Peter de komst van de prettige tijdschriften aan, die het glansje van ongewoonheid in de avondkamers leggen. En zij praat meer met het dagmeisje, dan goed is voor haar prestige, al weet zij wel dat zij sterk genoeg is om dat, als het noodig wordt, opeens weer te herstellen. En zoo is zij nog eens naar die vrouw Lampe geloopen, om nog eens zekerheid te vragen omtrent
307