rend in haar stevigheid en haar fijnheid; de mouw van zijn jas daarover is om je lippen op te drukken. De liefde van het verleden verschijnt. Zij steekt haar hoofd op, voor hen uit, in het grijze licht van dit aanbiddelijke slagveld; in haar donkere verwrongen gezicht een bloedige glimlach, en twee stekelige tranen.
Zoo loopen zij, een tien minuten heen en terug: een gloeiend wonder van zoete gespannenheid, en zonder een enkele stee of vlek.
Stil-verheugd, geen smetsel van een klap-woord erover gevallen, neemt Eli het, voor altoos:
Jankef, Jankef is er nog.
306