Een eisch!: tusschen de menschen te moeten leven op een plaats door allen tevreden erkend! Heel en al aan hemzelf is de oplossing gelaten van het Raadsel. Schuddend wordt zyn hang naar goede gelukkigheid aangetast, al handhaaft hij zich. Ernst, blijheid, en den smakelijken loop van oprechtheid bewaren, en in het leven zetten, in het leven. Wat is hier, aan het water, Sjoel-zang? ’s Avonds! Maar eiken dag, bij het volle gave licht van deze ruimte? Dat voel je als een grijpende beangstiging: dat Sjoelzang, mooi voor de menschen vlak om je heen, hier in de ruimte bij de motor-booten, de zeilschuiten, de steenbakkerijen en de zagerijen, in de wereld vervliegt: een mooie ontoereikende stem, een onmachtige poging om van allen te zijn. Van Jankef’s huis de warmte naar hier; geen van beiden zonder elkaar, voor hem, dat weet hij. Met de warmte van het huis opengeslagen, bemint hij deze ruimte. En bij Hein Lampe thuis is het even bedompt en hittig als bij Jankef; de geur van Willemien: konijnenlucht, stoffigheid, moeheid en kreuning die het vleesch zoo zonder weerstand doen uitwasemen, is even dwalmig als van de groote meiden van Oome David, is even ver van het water hier.
En zij? Zij, Louise? Zij is van alles. En van niets. Zij kent hem niet. Hij kent haar niet. Heeft zij aan iets werkelijks van de wereld deel?
Met haar van alles zijn. Nu zonder haar.
Van het water en de ruimte, van alles en van allen, zou hij willen zijn.
Draven langs die rivier, die de wind nu kittig jaagt, en op doet schuimen aan de oevers. Rijden op die booten-boegen, die beneden het weeke wijkende glas van het water splijten, en boven dansend hotsen, in een volhardend ruiter-spel. Zwieren onder den wind, wielen er boven mee. Wat Matthias, wat oog! Wat Born, die hem voor de school gevaarlijk vindt! wat school waar hij niet meer komen mag! Vastgehouden wordt hij, neergedrukt wil men hem, en hij, hij wil bewegen, spoeden, cirkelen. Handen hebben als ginds de molenwieken, die met hun fijne klep-vingers gemakkelijk de kolossale steenen draaien. Bloed als het water, dat doorschiet, loopt en huppelt, en rent tusschen de altijd maar wisselend bezette oevers, en ginds, eindelijk, overal heel de wereld en haar hemel vindt. Adem als de wind die schudt naar zijn lust, of vriendelijk blaast als een machtig effen geluidloosheid, of liefelijk of bezeten fluit, al naar zijn zoete of zijn buitel-drift. Kracht, kracht wil hij: zijn tanden in de samenlucht van heel de wereld, haar zuiverste
304