kijken; dat trekt hem. Hij gelooft niet dat er iemand kan komen die hem zegt: zoo; die hem van binnen uit, laat doen wat hem tevreden zou doen zijn. Hij gelooft dat hij in zichzelf moet vinden dat wat hem heelemaal vol bezig zal maken. Al weet hij dat hij leven kan: waar vindt hij zijn taak! Alsof die strijd zijn natuurlijk deel is, zoo weinig kans ziet hij tot den grond van de moeilijkheid door te dringen. Al gelooft hij, o al zoo lang, dat het leven zonder dien druk, zonder die moeizaamheid, lichter, gesteunder, gemakkelijker gelukkig moet zijn.
Dat zijn de winsten van den uitgeworpene: buiten de wet van de school te mogen zwerven. De wond is toegebracht, maar zij geneest tusschen slag en slag. Deze kleine her-ademing kan het lot niet weigeren; het schenkt ze hem als een misvatte straf, en door de kracht van den levenswil die nog onbewust toegrijpt, wordt zij genoten als een feestbuit. Langs de rivier, een hreeden loop-worp de omzooming van landouwen voorbij, ziet hij aan den overkant in de verte het wit van de kalkovens als schuim dat verstijfd staat, en het rood van de steenbakkerijen in het wijde, maar al vroeg dalende licht. Hooge enkelvoudige geluids-roepjes van metaal, en vriendelijke klik-schuiven van steen, reizen naar hem over het water, waarop zij hun laatste rauwheid hebben achtergelaten. Een vrouw op het achterdek van een motor-schuit, het lijf tegen het wiel gedrukt dat zij achter zich bedient, staat zorgelijk, scherp blikkend, maar toch rustig daar, in haar wereldje van hardheid en petroleum-vuil. Van de kerels heeft zij het overgenomen dat zij het echtst lijkt in die vol-bezettende bezigheid. Pof-pof-pof; en pa-te-le-patelaa? Do-liè. Zij en de jongen die het dekje staat te steekdweilen, watelen hun roep over die vochtige bewegende ruimte die hun werkveld is. Zij duwt een haarlok onder haar muts: het is windstil. Dat is lief: het volk op water en land; dat lijkt dichtbij, al kent hij ze niet van naam tot naam. Aan dat alles schijnt echtheid te leven, vochtige zout-vlokken van zuchten, lachen en bloed, die door de kracht van hun wezen rondstuiven als gouden spatsel. En gaat daar dan niet, vanuit deze verte die nog de vergissingen dekt, een blije vertrouwdheid uit op, die hem zelfvertrouwen toestuurt; die in hem seint tot een gevoel van zekerheid dat het goed is zoo-als hij is, omdat hij verliefd is op de eerlijke levende werkelijkheid van de menschenwereld? Want zoo is het, op den afstand: kijken en luisteren, en het dan nog weer eens zien en hooren, het nog weer eens beleven en genieten, heerlijker over.
303