wekt wil zijn, maar verloren zit. Achter de ruiten van een in-maak-fabriek giechelen, witte mutsen over haar kapsels, de meisjes naar alles wat voorbij gaat; de motor van een zage-rijtje zoemt in de stille ruimte, die nog warm en licht, maar al dun beneveld is. Aan de laan vlakbij het kerkhofje waartegen hij stond weggezakt, nadat hij van Matthias’ bloedend oog was weggevlucht, ontmoet hij, bij het uitzicht op de herfstige platte akkers en den ruimen horizon, den schilder. Eli heeft wel een beetje opzettelijk langs het ezeltje geslenterd, en zijn einde-looze weifeling overwonnen die hem ophoudt wanneer hij iemand wil naderen. Een vriendelijk mensch, dat wist hij al wel; hij hoeft hem niet aan te spreken: terwijl de schilder fijntjes doorpenseelt, die, zacht tot hem op:
„Wou je’s kijken?”
En hij praat rustig tot hem, onder het ononderbroken rustige werken; vraagt of hij aan het stukjes draaien is; of hij dan vacantie heeft; waarom hij dan vrij is. Een lang, vriendelijk gezicht, eenvoudig, niets bijzonders, vindt Eli; maar goed, en niet dom. Blond met grijze oogen, een klein snorretje en tocht-latjes langs de slapen. Het hoedje, zooals, godbetert Born ook droeg, ligt in het gras. Er is geen ontkomen aan: Eli moet de geschiedenis met Matthias en de jongens vertellen, al spreekt hij van geen Meisje, pak, of schuurbrand.
„Verdikkeme, dat zullen ze je dan kwalijk nemen, broer; had-ie je gepest? Een flinke pech voor je hè?” Werkt weer, praat weer. „Ja, hier in dat gat. Hoe kunnen ze je nou de pest hebben, om dat je een joodje bent. Ik mag ze graag, de joden. Nou zeg maar, dat ze der een schijntje van af weten, hoor. Der was een schilder, da’s de grootste schilder die der misschien ooit geleefd heeft, dat was Rembrandt. Heb je toch zeker wel es van gehoord. Nou die heeft z’n halve leven lang tusschen de joden gewoond, omdat-ie zooveel van ze hield. En zijn grootste vriend dat was een rabbi: nou wat dunktje. Dus die lui hier, die kunnen nou wel hun mond vol hebben over Rembrandt, begrijp je wel? Maar dan moeten ze die flauwe klets over de joden ook voor zich houen, want anders begrijpen ze der een schijntje van. Nee, de joden dat vind ik fijne lui. Van binnen dan, begrijp je?”
(Verrek, scheer me de wintersik, nou breekt me klompie, daar heb je der-een die vindt de joden fijne lui) Hij krijgt allerlei goede raad dien hij nog voor zichzelf moet uitzoeken: dat hij wat van de wereld moet zien, anders dan zijn eigen huis; dat hij misschien wel in den handel komt, want dat de schilder
301