schuurtje, waar Lampe braaf een deur gezaagd heeft als toegang voor de dames, noemt vriendje Hein hem de namen van de beesten. En terwijl hij zijn eigen ram een extra bos wortelloof laat mummelen, over zijn kop streelt en knuffelend in de flanken grijpt, zegt hij: „Over twee maanden, met Kerstmis hè? dan smullen we van ’m.”
Eli waagt het er iets van te zeggen; hij is nu toch bij de anderen, in de wereld. En Hein’s blauw-grijze oogen staan vol-vriendelijk naar hem, opener dan die van de anderen.
„Hoe kan je nou eigenlijk je vriendje opeten.”
Hein lacht hem smakelijk uit:
„Het is toch een beest,” verslaat hij Eli logisch, want als die nu zwijgt, lacht hij goeiig door. Hij vertelt het binnen, eer Eli weggaat. Vader Lampe keert zich tot het jiddekind en zegt vertrouwelijk, als waren het zijn konijnen niet:
„Ja, da’s nou een echt gojsch meinse” (echte christen-geschie-denis).
Hein kijkt van zijn vader naar zijn vriendje: hij beschouwt op dit oogenblik het jiddekind als iemand die nog veel moet leeren.
Dat zijn de kostbare winsten van een paar dagen vrijheid, die ervaringen met de Lampe’s, met den schilder, en met het najaar buiten de stad, in die uren dat geen enkel floers van dwang het doet krimpen of verduisteren. Dat weet hij nu zeker: er zijn meer huizen dan het zijne waar de ondeugende lach klinkt om wetten en eischen van de wereld; het verschil maakt alleen de bloedige diepte, de felle snijding in het men-schen-leven, die hij niet verklaren kan, maar die in haar op-gejaagdheid hem lief is. De wanhoop van schreeuwen en zoenen bij de Manheim’s is er de flauwe maar rustige vorm van, die iets eindeloos voor hem heeft, alsof zij na duizend jaar lustig lachen en kreunen, zich ergens sleepend zal oplossen in de wereld.
En de dwaze vergroeiing ervan is mesjoggene tante Rozetje-poppekop van Oome Salomon, die haar kinderen door elkaar schudt, alle verwenschingen toebijt die het ghetto ooit bedacht heeft, en zonder een tusschenpoos van een ademhaling ze tegen haar borsten drukt en: „kom hier, m’n schatz, kom hier m’n schoonheid, m’n eenigheid, m’n lieveling,” roept, in haar ontstellenden spijt om de knepen, en om de pest, de verlammingen en de kouwe koortsen, die zij met haar heeten adem in
299