„Ik zou’t heusch wel doen, maar ik heb geen honger,” zegt hij verlegen tot klein-Jan. Hij verbergt zijn gruwing van de worst: het zou hier daarzonder toch prettig zijn, in dien „Christen-geur”, dien hij van de buren uit zijn straatje kent: duf als in zijn eigen huis, maar minder vettig.
„Je hebt me toch zeker wel es gezien, bij Simon, of bij Herman en Ozer?” vraagt groot-Jan.
„Natuurlijk.”
„Ja, nou heb ik er in geen tijd geweest,” vertelt hij, „dat is daar lou-loone bij Ozer en Herman. Niks meer te doen. Ze worden zoo arm als de mieren. Maar die jonges van David,” nikt hij, „nou. Laat die maar loopen, die gaan dammee gaan ze Ozer en Herman de peezen doorsnijen; zoo knap bennen ze niet.”
„Da’s de concurrentie van het kapitalisme,” zegt klein-Jan. „Konkerentie van de kiepertalisme,” herhaalt Marregien, „nou breekt me klomp; jij met je kiepertalisme.”
„Nou ja, dat kletsen; ’t is toch waar. De menschen vreten toch mekaar ommers op.”
Zij lachen; Eli begrijpt het niet, en durft geen uitleg vragen. Maar groot-Jan zegt: „Da-ma-je nou over lullen wat je wilt, maar die eigenste jonges van David die gaan zoo stiekempies an, gaan ze Ozer en Herman de laatste snee gras voor de voeten wegmaaien. Houdt ze in de gaten, die krijgen ze,” wijst hij met duim en wijsvinger.
„Hij gaat zoo dalijk de konijnen met me zien,” vertelt Hein. „Je konijnen? zal hem z’n zorg wezen, jouw konijnen.”
„Nou, hij gaat ze met me zien. Is ’t niet?”
Hein heeft nog altijd Eli’s naam niet uitgesproken. Eerbied en vreemdheid moet door de bijna onverschillig lijkende lust naar een vrijbuitertjes-omgang overwonnen worden. Eli legt zich, door een behoefte gedreven aan uitbreiding buiten zijn engen kring, de aansluiting op, die hem, in die paar vrije dagen die hem resten, trekt met Hein’s korte maar zelfbewuste bewegelijkheid. Als er die bloedworst niet was, zou hij zijn gaan zitten en een boterham hebben meegegeten. Het lachen heeft hier iets van thuis; dat kan geen vergissing zijn, hij voelt het verband; het is het verband van het natuurlijke, het echte. Alleen klein-Jan, hoewel hij hem nu toch ook tot eten genoodigd heeft, is hem hier een stroompje tegenwerking en teleurstelling. En dan staat hij even later nog weer ontsteld; kent het, maar verwacht het niet, dat diep-vreemde van een andere wereld van gevoelens. Bij de konijnen-hokjes buiten aan het
298