„As je me nou,” zegt groot-Jan, „wat most ze dan weten?”
„Ze most weten, of Driekes sjef zal worden of niet.”
Zij lachen allen, en allen tot Eli, Hein en Willemien oolijk geknepen.
„Da’s verdomd een neweire da’k niet thuis was,” zegt grootjan, „anders ha’k der toch vast en zeker met een natte dweil der snotter-neus afgeveegd.”
„Zoo’n vuile bal gehakt,” grimt klein-Jan. Hij staat tegen Wil-lemien’s stoel aan; nu stoot hjj tegen de poot daarvan; „toe,” beveelt hij, „la-mijn es zitten.”
Willemien neemt haar sjouwens-moeë meisjeslijf van de stoel, en laat ze hem. Zij ondergaat Eli’s verbazing; zij is gewend de wet te gehoorzamen, die de meisjes aan de jongens onderworpen houdt, ook al weet klein-Jan wat kranten rondbrengen be-teekent, want hij heeft het jaren lang gedaan, eer hij werk op de fabriek had; men heeft er nu goedkoopere meisjeskrachten voor genomen. Willemien moet opstaan, en zich met een oud taboeretje behelpen, waarop zij nu, te laag, aan tafel hangt om haar boterhammen met bloedworst te eten.
Voor Eli zijn het heerlijke, kleine wonderen van ervaring hier; hoe nieuw, en toch hoe bekend zijn hem die gevoelens van Willemien en Jan; het is of je het beleefd hebt, en je weet toch zeker, dat het niet zoo is. Maar hij ziet langs klein-Jan’s gezicht, waarin de oogen koel naar zijn boterhammen staan; een kleine grimmigheid, tegen Eli’s ondergane afkeuring in, wordt over de tafel heen ontladen. Groot-Jan is, evenals de jongens, met zijn pet op gaan zitten eten.
„Je maggen wel een boterham mee eten, hoor,” noodigt Mar-regien. Een gelegenheid voor het meisje tot een nieuwen knijp-lach in Eli’s oogen.
Hij ondergaat het met de zekere herkenning van een soort zwoelheid, die minder zoet, schraler en zilter dan die van zijn jodinnetjes, toch een zelfden grondslag heeft van onreine, huiselijke gestoofdheid. De armoede is er vertrouwd en bevriend in; het streelt, maar er komt niets edels uit op hem aan. Hij bloost op de uitnoodiging om mee te eten.
„Ah, dat doet-ie toch niet,” weert groot-Jan af, „hij lust geen koosjere bloedworst, wat jij nou.”
Klein-Jan richt zijn hoofd op alsof hij zich op iets bezint, en zegt dan: „Je kan best een boterham meedoen, hoor, gaat er maar bij zitten; haalt een stoel voor’m uit het kamertje,” beveelt hij Willemien.
Zij wil opstaan, maar Eli weigert:
297