Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



en om haar bleeke neusje de kracht van haar vermoeiden mond tot zinnelijkheid neergeslagen. Hein kijkt met verwondering van zijn zuster naar zijn nieuwe vriendje, en Marregien leidt met haar verhaal den uitval af.

„Je maggen het eigenlijk niet zeggen, maar ik heb ze vandaag gehad, o!” lacht zij, „één jiddekind (zij noemt den naam niet van Stella van Raalte die, dollend met haar eigen lotje, na een gesprek met Rosa en Evelien, de kaartlegster heeft opgezocht) daar he’k mee zitten gieren van de lach. Ja da’s waar hoor, zoo’n gijn had die meid. Ik zeeg, ze most oppassen voor een blonde vrouw, en daar zit me die swylete toch te schudden van het lachen, nee, ik kon me eigen der niet goed bij houen.” Zij veegt langs haar neusje, onder het staande vertellen, een pakje vleeschwaren voor de boterham in haar hand.

„Ik zeg: „nóu, en dan is der wel een reis óók op komst”; ik geef je te raden wat ze zegt. Zegt ze: nou dat zal zeker wel; m’n oome gaat alle weken naar Rotterdam, zegt ze, waarom zou-ie nóu juist niet gaan.” O God, ik kon me ook niet houen, daar zatten we met z’n tweeën te gieren. Affijn, toen ze weg-gong, gaf ze me drie kwartjes; ik denk nou da’s ook best, stuurt me der maar tien zoo, alle middagen, dan lach ik nog es over ook.”

Jan Lampe schudt zijn hoofd. „Mesjokke,” zegt hij tot Eli, met een voortreffelijke zachte k, „stapel-mesjogge bennen ze. Dat bennen nou nog jidden; mag heelegaar niet van de toure.” „Nou,” nikt Marregien, met een vertrouwelijk-scheeven blik naar haar man, in een gebaar dat zij van de Joden heeft overgenomen, bij wie zij jarenlang Sabbath-vrouw was, „ze zijn der wel geweest, van vlak bij de toure, hoor. Godzalme, as ze dat thuis wisten; daar zouen ze raar van kijken. Ik heb m’n eigen dochter vandaag niet kennen bedienen. Nou die komt wel es weerom, die besjolmt toch niet. Ja, Marie is nijdig weggeloo-pen, omda’k geen tijd had, en ook geen zin ook niet.” „Heeregod,” roept Willemien, die op het kastje brood heeft gesneden en op de borden gelegd, terwijl Marregien bezig is, het met plakken bloedworst te bedekken.

„Ja, netjes hoor. Ze gong nijdig weg; ka-je bij je eigen moeder nog geen eens terecht, moppert die halve gare meid. Zoo sting ze te mopperen.”

„Wat most ze dan?”

Klein-Jan, de tweeëntwintig jarige zoon die binnen is gekomen van de fabriek, blijft staan luisteren.

„Nou, ze wou een kaartje gelegd hebben gehad.”

296
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.