Manheim, en het huis daarachter, in welks deurkier Jaapie en Eva met hun vlekkelooze buursche gezindheid staan. Als in zijn eigen huis, in het hunne: dapper gedragen naaktheid; het leeft voor hem, dat huis. Hij kan er zich geen volledige rekenschap van geven, maar juffrouw Manheim zelf verteedert hem het meest. Wat is zij lief, in haar verschrikkelijke leelijkheid en de aftakeling door haar eindelooze armoede. Het groen-geel van haar gezicht, en het grijzende haar dat onder het hoedje strak ligt weggetrokken, is om zacht je hand tegen te leggen. Een oude kleur en geur, een beslagenheid als een fijn baksel van de bestokende, vriendelijk ontvangen jaren, ligt voor hem op haar te kussen wangen, alsof zij geconfijt waren door den tijd.
„Nou, eet ze smakelijk. Tot morgenavond hoor! Bij de wals!” Manheim groet lachend met een hand-opsteken.
En Eli kijkt haar na, als zij haar lange, van boven gebogen lijf in haar huis draait.
Wat roddel! Klets! Zij zegt maar wat, voor haar vroolijke praatje dat de vriendschap belijdt en onderzoekt. Een schat is het. Alleen bij haar zou je, als je zwak was, kunnen gaan praten, en alles vertellen.
Hij gaat in huis, met, tegen Jankef’s goedig bedoelde critiek in, zijn stillen hevigen mijmer:
Al het mooie is afschuwelijk. (Ja? Au! dat doet zeer!)
Alleen het leelijke is mooi en om lief te hebben.
294