af, sproetig als Jaapie, met dikke lippen maar die iets vriendelijks dragen in hun krul naar den mondhoek toe. Haar kapsel, alsof het stoffig was zoo springend boven de opgelegde vlechten, is krachtig van kleur, en vol.
„En ons koor dan?” lacht juffrouw Manheim bijna grijnzend van aarzeling omdat zij nog al eens een „stichel” krijgt van Jankef als zij een roddeltje probeert, „wat zeg je dervan? Kotekottekot, wat een pracht hè?? Dat we dat nog belééven hier, dat heb’k oser kennen denken. Jij?”
„Is’t dan niet zoo? Is’t dan niet puik?”
„Puik,” hoest Manheim.
„Wat meen je,” zij weer, „da’k ’t niet mooi vind man? Ö je bent mesjogge! Ik bin der blij om jonge, dat we is wat hebben hier. Nooit het men toch’s wat? Laat ze’t maar alle jaren zoo maken? ’t Is mijn goed. — Zeg, en nou zeggen ze dat onze Gazzen nog trouwen wil? Heb je ’t óók gehoord?”
„Jij hebt ’t toch zeker alvast wèl gehoord,” Jankef.
„Nou heeremol an! (hoor’s an) maar daarom weet ik nog niet of ’t waar is, schwanz? Met haar, met de zuster van jouw schoondochter. Ja, dat zul jij niet weten....”
„Weten? Ikke? Denk je dat ze’t mij soms eerst komen vragen?”
„Hij houdt zich krootsj,” lacht zij, „ik heb geen kans bij’m.” Zij lacht, of er tranen zullen komen, zoo plezierig, „en toch ben ik mesjogge op’m. Wil je wel gelóóven,” deunt ze, „as-ie morgenavond bij gezond op het bal is; de eerste dans, dat za’k niet zéggen, maar dat-ie met me danst, zoo goed of-ie m’n Gooisen (bruidegom) was.”
Jankef lacht. „Dat kan héél best wezen, meissie! As jij der bent, dan ben ik op mijn post!” zegt hij uit louter ridderlijkheid.
Zij lachen. Salomon Manheim staat roerloos, zijn schoonge-schoren lipje scheef, zijn hoedje scheef op zijn parmantigheid. En hoe arm hij is, en hoe asthmatisch zijn borst hijgt, zijn oogjes glimmen met een kracht van jonge oolijkheid cn onschuld, alsof hij vijfendertig jaar geleden op zijn dorpje aan het bruggetje stond, naar de mooie meisjes te kijken en de grapjes over haar aan te hooren. Eli staat, klaar om in huis te gaan, bij Jankef het korte spel van vriendelijkheid aan te zien. „Kottekottekot.” Juffrouw Manheim treft het. Waarom vindt hij haar zoo aanbiddelijk? Zij komt met geen enkele erkende liefheid, ja, zelfs met een poging tot roddel, naar voren; zij heeft geen enkel etiket van beminnelijkheid. Hij ziet haar en
293