„O.” De glimlach lijkt nu pijnlijk. „Maar daar hoef je toch niet voor te danken.” (wat is zij groot onder dien hoed. Ja, erg groot, erg een dame nu) Zij wipt haar hoofd weer even naar achteren en weer terug: „dat was immers gekocht....” haar zachte stem.
„O.... Ja....” Hij zoekt naar den grond, om, in dit korte oogen-blik, het wapen te vinden, dat die nieuw opdringende versperring met één slag moet splijten. Maar hij ziet, in zijn verslagenheid omdat het wapen zich den eersten tel nog niet aanbiedt, schemerig haar schoenen. De zolder! De zolder is noodig, om die schat, achter die verwarring, weer te bereiken.
„Dag,” zegt zij vriendelijk. Haar moeder is aangekomen; zij gaat met haar buiten op haar vader wachten. En Eli moet doorloopen. Hij lacht pijnlijk naar haar, in het langstuimelen. Zij kijkt glazig: Onverbiddelijk is het logisch lot.
Hij verstaat Jankef nauwelijks die naast hem naar huis loopt. Voor het eerst van zijn leven lijkt het rammelen wat Jankef vertelt. Over David die weer „bys” (kwaad) is, om het smerige praatje, dat hij de kinderen bij de muziek zoo gemeen achteruit heeft gegooid en van zich weggejaagd. Heeft zijn centen binnen, verwacht wel niet dadelijk nog’s vijfentwintig gulden, en begint nou weer te hetzen; wie het nou aanhaalt, haalt het aan. Moeder ook schuld aan; kan ook haar verdomde geschreeuw niet voor zich houen. En over Stella van Raalte: aanstaande Gazzente! (gazzens-vrouw) Misschien! Heel misschien? Als hij doorzet! Zij wil wel. Hoho! Maar zoo graag! Heeft mij niet willen hebben. „Ook nog zin in sjweien (trouwen) meisje? deja of de-néé....”
„Ik heb d’r géén zin in, Leefmans! Niks op je aan te merken. Een beste, aardige man, maar daar heb ik geen zin in!” O, zoo’n lollige sjwylete van een grappenmaakster! — Naar mijn idee van iemand die der geen verstand van een geleerde van heeft, heb je’t nogal aardig opgeknapt zoo, met de Haftoure, voor al die lui daar. Tenminste wél van gemaakt, wat er van te maken viel. Zoo om te zien, de lui het nog niet zoo’n gewone kost van alle dagen gevonden.”
„Kan wel. Maar ik heb spijt dat ik’t gedaan heb. Had weg moeten gaan.” (Geen tijd gehad om iets te verklaren: ze breekt zoo het gesprek af. Hoe krankzinnig om aan dat pak te denken! Niets van hem te begrijpen. Ook onduidelijk geweest. Zóó haar te willen bedanken omdat ze er is, omdat ze bestaat. Zoo onduidelijk te zijn.)
291