Raalte uitgestreken-zakelijk, Roosje, een golf van tantes en bekenden van boven de slechte draaiende trap afhakkelend; geruisch van japonnen, kleurtjes en parfum in de dikke verhitte lucht. Weg die allemaal: Louise Maria, van den zolder. De dame van de groote jonges en den adelborst met het roode kraagje en de degen-ketting. De jonge vrouw met die hoed met dat veertje. Gehurkt op den zolder, boven den sleutel van het verleden, en het Geheim, waaruit hij naar haar op-vertelt. De on-aantastbare werkelijkheid zien die haar onbereikbaar maakt. Haar aanspreken, op haar aanvallen, en die harde werkelijkheid doorbreken, öf de volle wond voelen, die haar ondoordringbaarheid dan in zijn naderende driestheid zal snijden. Hier, gauw, daar gaat ze.
„Louise!”
Hoe heeft hij het gedurfd! Met de tang van zijn spannings-kracht breekt hij een liggenden afstands-boom door midden. „Vin je’t erg? omdat je nu hier bent?”
Haar moeder is even achter gebleven.
„Wat wou je dan?” Vlakbij haar is hij; zij spreekt, zij spreekt tot hem!
„Vin je’t erg? als ik je nou even goeiendag zeg? Ik ga weg. Ik ben van school en ik ga hier weg. Uit de stad....”
Hij spreekt als een windvlaag in een schoorsteen. De oogen groot in het bleeke vooruitgestoken hoofd; het lichaam heele-maal weg; geen lichaam, geen voeten.
„Oo.” Zij glimlacht naar dat bewogen gezicht: hoe vreemd zoo’n opgewonden gezicht in de wereld waarin zij ook leeft. „Dan hoop ik dat ’t je goed gaat,” zegt haar mond.
„Ik wou je bedanken....” hoe moet hij anders zeggen: dat hij zoo dankbaar is dat zij er is, om hem op haar verliefd te doen zijn?
„Waarvoor....?” Het hoofd beweegt er even bij naar voren, verbaasd, ge-interesseerd, alle vreemds verwachtend uit die wereld van opgewondenheid.
Zij spréékt dan toch maar tot hem. Hij staat dan toch bij haar, nu; verbonden staan zij. Dit, dit is het Paradijs. Een zachte, opgewekte bries rijdt er rond; op zijn rug de saamgeperste geur en de boodschappen-stemmen van de rozen aan het water: „wij zijn er, jij bent er; het is zoo: de liefelijkheid van het leven bestaat.” En de bloeiende boomen-trossen zwaaien met bevend blad heen en weer, van verwondering om de einde-looze heerlijkheid van de jeugd.
„Dat weet je wel, waarvoor....”
290