Meyer heeft hem een teeken gegeven: je hebt alle tijd, doe het maar zoo langzaam als je wilt. En met een heffen van het hoofd: zing je liedje maar uit. Hij gaat naar het Biemah-po-dium, door het glimlachen heen van de kennissen, langs Va-der’s effen, maar verhit-verlegen gezicht. Terwijl hij, terzij van Meyer’s plaats gaat staan met het boek waarin hij de voordracht al heeft opgezocht, sluit hij zich met een samenknijpen af van de menschen, een nauw bijeentrekken van de hersen-wanden op de aandacht en de lust voor het werk. Niets rondom, en geen vrouwen boven. De handen om het boek, zingt hij het vóór-gebcd.
„Geloofd zijt Gij Eeuwige Onze God, koning der wereld,
Die edele profeten hebt uitverkoren....”
Door een kier van den wand heen dien hij optrok, dringt, vreug-de-hinnendragend, het bewustzijn van een diep geplante aandacht rondom; het is vol-stil. Het fragment uit Jesaja dat op het begin van Genesis moet aansluiten, zet poëtisch in:
„Zoo spreekt God de Eeuwige, schepper van den Hemel en zijn uitgestrektheid. Die de aarde spande met haar bloeisels, ziel gaf aan het volk daarop, en geest aan allen die erop bewegen.” Zegging na zegging, telt hij het zingend uit, verbindt voorzichtig de zinsdeelen, bijt de medeklinkers in scherpe duidelijkheid af; dat soort overgave is voor de lezing zelf: zij moet scherp, met krachtige onberispelijkheid, verstaanbaar en met rondgedeelden nadruk, tot de gemeente komen. Meyer staat met zijn hoofd scheef, stil glimlachend op zijn plaats te luisteren, de oogen af en toe zijdelings naar hem geheven, trots op zijn leerling.
Eli weet dat, na het korte voor-gebed en de lezing, het na-ge-bed, de dankzegging, hem pas vrij laat in zijn lust. En daarvoor houdt hij een tel stil; daar pas raakt, in die stilte-span-ning van het ongewone oogenblik, de jongensstem hoog bewogen. Zij grijpt de hoeken van de Synagoge en schiet er jong-rijpe halmen van sterke reinheid in; spant lichte groene loten, in bogen van wand tot wand, en giet beneden en boven, haar rosé en witte bloesems aan de wachtende spitse stengel-ein-den. In het voorlaatste vers, in de heerlijkheid van het rustige zingen overgegeven, stijgt hij naar de hoogten, onder de weelde, die de guirlanden ophangt van het Feest. Langzamer, aandachtiger en voller dan iemand, ook hij, het ooit doet, zingt hij
288