hèm teleurgesteld heeft, kan hij tegen zijn mede-hooggeplaat-ste niet blijven kiften, al meent hij nu eenmaal dat hij zijn kinderen tot gehoorzaamheid moet weten te brengen: „waarvoor is men anders Vader,” heeft hij thuis gezegd, terwijl hij onrustig om zich heen zocht.
En Eli krijgt zijn „Haftoure”. Jankef heeft het al gemerkt; goed verstandig en slim beheerscht kijkt hij Eli aan, schijnbaar onbewogen, en zoo wordt het teeken begrepen, in zijn doel gewaardeerd, maar in zijn geest afgewezen: geef hem van katoen, bedoelt Jankef; toon je, neem wraak.
Wat moet hij doen? De wereld trekt hem terug terwijl hij bezig was zich van haar te verwijderen; maar hij is in wrokkend verzet tegen haar. Haar kleinachtende houding tegen hem kan zij hiermee niet opheffen; hij mag niet meedoen, hij krijgt alleen een hapje, buiten het deel dat hem ontnomen blijft. Een sterk bevredigende wil staat in hem op om zijn Tallies af te gooien en toch heen te gaan, als onttrekking aan de overmacht, die de domme slagersbaas hier stelt, met te doen alsof het hem gegeven is te bepalen hoeveel genade Eli zal worden toebedeeld. Eli staat stil zijn plan te meten: welke angst houdt hem terug? Die voor het verliezen van zijn Rabbi-toekomst niet, want daarvan ziet hij niets dat vorm heeft. Maar er zijn twee menschen die hem bewegen te blijven en naar het Al-memmor te gaan. De eerste is Meyer; door wiens daad hij ver-teederd is; dien hij niet durft te wonden door hem met zijn vriendelijkheid in de handen te laten staan, want hij gelooft dat Meyer hem steeds verdedigd heeft. En de tweede.... Al is dit stukje dienst dan niets van het leidende werk van den voorzanger; hij wordt uitgenoodigd om, in het centrum van de aandacht, tien minuten te zingen. En de behoefte om te zingen is loerend bij hem naar de mogelijkheid; hij is in zijn vijftiende; de lust naar openzetting van zijn dichte verslotenheid sinds gister bij het begin van het feest dat voor hem zing-feest was, en eigenlijk sinds een maand geleden toen die scherpe opdrijving van de verhouding tusschen hem en de schooien familie-wereld in werking kwam, is dringend.
En heeft hij dan niet voor haar, boven, willen zingen, en kan hij dat dan nu niet? Tien minuten, spelen met zijn geluid, de stem uitbuigen, ombuigen, laten stijgen, laten zakken in de zoete donkere tevreden diepte; weer naar terzij uitwieken en eindelijk alles bekronen met een hoog, staand, om zijn middelpunt rondzwevend slotfiguur. Hij kan het geschenk nog niet weigeren.
287