Meyer heeft met De Leeuw staan fluisteren, en nu komt hij opeens een paar stappen Eli’s richting uit; hij buigt zich over het Biemah-hek en figuurt met zijn mond het woord: „Haf-toure”. Kijkt hem daarna boven zijn bril uit onderzoekend aan met niet meer dan den geest van een glimlach zwevend over zijn gezicht, boven zijn witte bef. Hij bedoelt dat Eli zich kan voorbereiden op het lezen van het bijgevoegde Hoofdstuk uit de Profeten, dat op een afzonderlijke melodie gezongen wordt; dat niet tot de taak behoort van den voorzanger, maar van een gemeentelid, voor wien het, temeer op dezen dag, een onderscheiding beteekent. Meyer, op het zien van de roerlooze houding van den jongen in wien hij zooveel energie heeft belegd, die de herinnering loswikkelt aan de eerzucht van zijn eigen jeugd waarvan deze verborgen straffe levensdrang het poëtische voorbeeld is, heeft met Sander de Leeuw een klein gevecht aangebonden om den jongens althans als aanstaanden voorzanger hier erkend te krijgen. Het strakke gezicht van den jongen, waarin met geen blik, hoe vriendelijk ook, beweging was te krijgen, heeft een gevoel van bezorgdheid bij Meyer gewekt; hij gelooft, dat hij hem niet moet laten ontglippen maar voor het hunne vasthouden; er is een voor zijn wereld onaangename werking in den jongen gestookt: men kan ook afvalligen maken, meent hij. En hoopt hij niet een beetje op het glansje dat, van een onderscheiden loopbaan die dit kind gemakkelijk kan veroveren, op hem als leeraar schijnen zal? „Moeten we de jonge Leefmans vandaag wel heelemaal vergeten?”
„Is toch uitgemaakt,” heeft De Leeuw gebromd, „dat-ie niet kan meedoen; kwestie is uitgemaakt.”
Meyer, met een diplomatischen, maar voor De Leeuw indruk-wekkend-minachtenden glimlach: „De Haftoure moogt U’m gerust geven.”
Sander de Leeuw keek voor zich. Blijvende oneenigheid met een keurigen Gazzen die in de stad zijn waardigheid heeft, is niet raadzaam. Hij zou het tegen Meyer afleggen. En hoe prettig is niet dat machts-plaatsje in de Sjoel, met je goeie klee-ren aan, je gezeten vrouw boven, je knappe groote zonen ginds, de heele gemeente die je eerbiedigt, omdat je het zoo knap ver gebracht hebt, en de visite in het degelijke huis door wie je in alles als gezaghebbende gekend wordt? De brutaliteit van Evelien Meyer is niet te slikken. En niet te begrjjpen ook: de een of ander moet haar gek hebben gemaakt, die meid. Maar als Meyer hem dan toch in alles zoo toont, dat zij ook
286