onbereikbaar. Zooals Evelien, dien ochtend, op de trap: met die blikken, die zich voor hem sloten.
Stampvol, zijn Sjoel. Zwarte mannen onder den strijkglans van hun hoeden; witte boorden en veel dassen-wit. Burgemeester, wethouders, provinciale gouverneur, verbergen beleefd maar vergeefs hun bevreemdheid jegens die georganiseerde opeenhooping van zang en klank-stooten uit het misprezen zwart; verwijderd denken de blozende gezichten in het naief-trotsche blond van hun snorren en hoofdharen. Tusschen de Arke en het Almemmor in; zijn koor, zwart gekleed en wit-gedast, onder de room-gele bidkleeden om de schouders. Zij zingen, een afwisselend zuiver en troebel omhoog-fonteinende orgelmuziek, goed van wil aan de basis, een veelheid van figuur-deelen die zich boven ordenen; enkele zinken daar uiteen; sommige schieten snel uit het verband, verdwijnen als lachwekkende schuldigen een vreemden hoek door, slaan dan machteloos naar boven in een boog, en ploffen omlaag weer weg. Zij zingen, anders dan hij, met zijn eenlijk stijgenden wil; Meyer wacht; en in den hoek van de Biema, Davidje Koopmans die Sjammes, Sjoel-beambte is, zijn wang- en puntbaardje netjes verzorgd, maar desondanks met onzekeren bee-nen-stand tengevolge van de verlegen houding van den vrijgezel op die plaats van den openbaren gedienstige. Ginds, bij den dikken slager de Leeuw, tegen den achterwand naast de Arke, de Raaf, de Opper-Rabbijn, een nieuwe Raaf, zwart-baardig, dor, met toga, witte bef en zwarte baret. En een vlucht van uiteengedreven kunst-licht door den effen dag-schijn heen, het feest dragend, met zijn koor-wierook van zware stemmen en krinkelende vlamtongen van tenoren. Evelien, Heleen, Branca, tante Mar-tha, Fie, Rachel, en tante Klaartje die hij nog juist kan zien zoeken; zij zit, opgericht, achter haar bril, door de balustrade heen naar den dienst te loeren, verhit, schuivend, geteisterd door een geestelijken kanker van het onderzoek naar boosaardige fouten, on-achtzaamheden, on-eerbiedigheden, bij de leiders of bij de gemeente.
En Roosje: weg Roosje nu.
Mevrouw van der Wal, koud, en Louise. Kan dat zijn? Is er iets dat hij zóó wil, en dat onmogelijk is? Zooals bij broertje Ezra die lag te sterven; dien hij bij zich in het leven wilde vasthouden, en die toch doodging? Zooals bij Hartog, van wien hij wilde dat hij van hèm zou zijn omdat hij hem liefhad, en die toch het huis verliet met een glimlach en een korten knik?
282