git-glinsterende oude wijfje en de verzorgdheid van Jozef Ja-cobson’s grijze jodendame naast de broodmagere bleeke maar fijne, misnoegde vrouw van Juul Heimans; bij den verbaasden grijnslach van juffrouw Bloch die wel schijnt te willen roepen dat zij het zoo’n gijn vindt haar man als koor-dirigent te zien, op de eerste rij daartusschen, dichtbedrongen, heeft hij ook het meisje al gezien, gevoeld, ontvangen, aan zijn hart gedrukt, en onbegrepen bespied. Een lange donkere vrouw, vol bewustzijn van tot den rijkdom van het stadje te behooren, zit naast haar, haar moeder; een mooi, smal, half-Indisch gezicht, zonder Louise’s peinzende wiegelende zachtheid, scherp van blik. In den zelfden mantel zit zij, Louise, dien zij Kol-Nidrei-avond droeg, daar, in het nachtelijke, aan haar vader’s arm: een mantel van geruite stof, kleine ruiten grijs met wit, aan den hals het zelfde witte randje bont. Maar diep over haar hoofd getrokken draagt zij nu een hoed van fijn grijs vilt, als een jongenshoed, een veertje op zij. Dat schokt hem: het maakt haar tot een jonge vrouw, een dame. Het is een voortzetting van het tooneel dat hij vanaf het muziekplein aan den overkant van het vaartje moest zien: de groote studenten en de adelborst met het rood en het degentje, dicht om haar en Suze Penard, druk met haar bezig; en zij, steeds met dat gebaar van haar hoofd achteruitwringen en weer terug laten veeren; weinig woorden, en haar glimlach. De glimlach, de glimlach dien hij kent alsof hij hem gemaakt heeft, in al zijn weifeling, zijn ingehoudenheid, zijn bezinning eer hij tot lach zou vergroven; in zijn luchtige opgeworpenheid; zijn aanbiddelijke heimelijkheid die optilt tot de vervoering om het ongekende, omdat het ongekende eindeloos is en dit een eindelooze lieftalligheid die wijkt en toch wegschenkt, wegschenkt en toch weer zwevend, opstijgend, heenreizend wijkt. Die glimlach met zijn heilige nis waarheen het beeld van de zachte kus gedragen moet en gezet, vertrouwelijk eerbiedig heengebracht en gelost, steeds opnieuw omdat het beeld vervliegt en den glimlach voedt en de nis gebouwd houdt: een armboog waar de kussende mond in leunt; die glimlach waarmee zij hem voorbijgaat, in de stoute ontzenuwende zonde van den diefstal, omdat het de zijne is. Een scheiding, een schokkende scheiding, bezwarend, beangstigend, is nu voor haar tegen hem opgezet; het is of zij zich met die jongens, en met dezen hoed die hem de jongens doet zien, in de macht van haar wereld heeft gezet, onbewogener jegens hem dan ooit, door een on-aantastbare werkelijkheid
281