Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



zelf de Sjoel niet; hij groet ze nooit meer. En terwyl hij in zjjn bank staat, zijn allen die het weten en het aanvaarden zonder een gebaar naar de daders of naar hem, mee schuldig. Wegblijven, dat zou een trap terug zijn die ze wel dwingen zou om even na te denken. Vader mag gelijk hebben met die woorden over de plicht om in Sjoel te komen; voor hem zouden die hier niet gelden als hij vrij kiezen had. En Vader is ook te bang, om iets tegen het Kerkbestuur te gaan doen en tegen de vele leden die hem ongelijk zouden gaan geven. Meegaan kan Eli alleen door zich strak-weg blind en doof te houden. In zijn woedend verzet is nu het Kamertje van het Hoofd met Born en de portretten uitgebreid tot de heele feestelijk gepoetste en gevulde Sjoel. En de glans-grijns in de koperen bol van de lichtkroon, de grijns van het dienende wezen, die er weer is, steekt benauwend in hem; alles moet doorgaan wie ook vernederd wordt: gisteravond en vandaag is de grijns volslagen waanzinnig.

Was het dan niet gisteravond al dadelijk, terwijl Meyer moeizaam zijn haastig geoefende rol overnam, alsof hij dood of ziek was, hij die hier in de voorste bank vlak bij het Almem-mor stond, gezond en gereed om al het heerlijks dat hij in zich heeft voorbereid, met zijn manlijken jongenswil omhoog te zingen? De eenige ladder dom weggenomen, waarop hij klimmen kon om zijn droom van vijftien jaar hevig opgesloten leven in vorm te zetten. Hij, die geen spel, nauwelijks omgang, en geen enkelen vollen vriend heeft. En die niets van een gietvorm bezit, waarin hij dien heeten stroom van zijn erts kan spuiten en verrukt nastaren, omdat het, hoe onverfijnd ook, tot bezield en als met oogen toegerust beeld werd. Wie weet dat hier? Niemand weet het, en niemand kan hij het doen kennen. Jankef kent Eli’s eerzucht wel, maar hij verstaat ze teveel naar zijn eigene. Hoe echt Jankef is in zijn eigen uit-levingen, zoodra hij ze van anderen in het openbaar en algemeen erkend ziet, denkt hij aan geen natuurlijkheid, aan geen zielsdrang, aan geen geringste verwantschap met zijn eigen verbeeldings-spel meer. Zonder opzettelijkheid boeit hij, vermaakt, geeselt, ontroert; zoodra hij gaat schrijven verliest hij zijn ongekunsteldheid en laat hij als uit een klier, gezwollenheid en onpersoonlijke krantentaal los; zijn puntigheid wordt eigenwijsheid; zijn gevoeligheid verrekt zich in valschheid, en als hij op een feestelijk samenzijn, na onbewust het middelpunt van een gretig luisterenden kring te zijn geweest, zijn glas

279
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.