„Wat?.... Dat mag je niet zeggen, jonge.” Meyer staat onthutst van die woorden, uit dien jongen van dien lastigen Jankef Leefmans. De aanval is onverwacht, en veel ontstellender dan er ooit een van zijn vader naar hem kwam grijpen. Eli wil, met den blik omlaag, heengaan.
„Kom morgen om één uur les nemen,” zegt Meyer. „Hè? zullen we nog eens ferm de stof aanpakken.”
Een laatste poging om een stuk van zijn weggesleurde heerlijkheid te redden. Terwijl hij zich nog eenmaal half naar Meyer omwendt, wringt hij het uit zijn keel:
„Mag ik mijn Siddere (de week-afdeeling van de Thora) ook niet laajnen?”
„Ik heb het geprobeerd, maar het is me niet gelukt. Bij de president heb ik nog afzonderlijk moeite gedaan. Maar hij heeft me niet terwille kunnen zijn.” (Hij bedoelt: Katsef de Leeuw was nog kwaad omdat mijn dochter zijn zoon heeft afgewezen.)
Eli is al weg zonder groet: hij kan niet langer bij Meyer staan zonder die pest-tranen. Beneden aan de trap staat hij tegenover Evelien. Zij ontstelt eerst van zijn bleeke verwrongen gezicht, waarachter het lieete huilen door wil breken. Dan wendt zij zich af. In den aandrang naar haar doel. Het grootste doel dat zij nu kent. Zij verhardt zich.
Pas als hij de deur achter zich dicht heeft laten vallen, dringt het gloeiende vocht in de oogen uit het overvolle, prangende hoofd. Pas nu is het alsof alles hem vijandig over den grond sleurt, om dat ongelukkige oogenblik daar op het plein. Bijna de eigenste muur tegen de grijnzende wereld van Matthias is dit, die hier vijandig van hem weg-schuift.
Nee, nog niet de aller-eigenste. De aller-eigenste is in hem zelf. Maar die voel je niet altijd overeind staan. En dan schrik je. Dan zakt de moed ineen, en is de wereld één be-angstiging, zonder steun.
Naar het kamertje boven. In één loop door, langs Vader en Betje heen, naar het kamertje boven.
In den krimpenden en uitzettenden kring van zijn tranen staat het afgewende Meisje.
En, bleek-verlicht, het centrum van de Sjoel waar hij zingt.
277