je nu geen examen doen, daar durf ik niet aan. En dan zal ik er dus over moeten schrijven (weer die heffing van het hoofd en die nadruk, omdat hij sputtert tegen het geringe aantal dankbaarheids-bloemstukken dat hem voor die zeldzame kleine diensten wordt overgereikt) met het verzoek om je daar te plaatsen waar je wèl toe voorbereid bent.”
Eli kan dat niet in beeld zien; hij begrijpt alleen de logika van de redeneering. Waar hij dan terecht zal komen, daarvan heeft hij geen voorstelling.
„Begrijp je? Dan zullen we dat zoo spoedig mogelijk moeten verzorgen.”
„Ja meneer.” (God weet wat, maar dat moet dan maar komen.) „En nou nog iets anders. En dat is het onprettigste dat ik je te zeggen heb, al is het voor je toekomst van geen belang.”
Eli kijkt op.
„Ja. Er is tengevolge van dat incident” (aarzelend) „bezwaar gemaakt, om je op het Sjoelfeest dienst te laten doen. Ja, dat spijt me,” zegt hij als hij Eli’s gezicht grauw ziet worden, „ik moet het erkennen, het spijt me werkelijk voor je, jonge.” Eli’s hoofd zakt, hij heeft er geen wil tegen. Verslagener dan tot nog toe sinds dien ochtend van het gevecht zit hij. Hij slikt met een droge keel.
„Mag dat dan niet?” Hij fluistert het heesch. Meyer staat getroffen door de vergeefsche worsteling van dien trots tegen de ontzenuwing door het plotselinge verlies van zijn laatste glorie. Hij voelt zich voor alle andere volwassenen, een beetje schuldig tegenover den jongen.
„Het Kerkbestuur.... het Presidium (slager de Leeuw) heeft het niet kunnen goedkeuren. Ik persoonlijk heb je verdedigd; ik was het er niet heelemaal mee eens. Maar men was bang, dat er niet-Joodsche bezoekers zouen zijn, die er aanstoot aan kunnen nemen.”
Hij spiedt naar Eli. Die zit met al zijn aandacht de weggeperste tranen de terugkomst te beletten, en daarover heen staart hij in zyn zwarte leege wereld.
„Je moet niet vergeten dat alle autoriteiten, de burgemeester (van het portret) en de wethouders, er allemaal zyn. En het Kerkbestuur heeft me aangeboden de Opperrabbijn die trouwens ook komt zooals je weet, de vraag voor te leggen. Maar ik heb daar geen heil in gezien voor jou. Ja.”
Met bitter vertrokken en trillenden mond, brengt Eli, bijna in tranen, het er nog uit:
„Dus die kent ook geen Rasjie....”
276